zaterdag 21 april 2012

Geschiedenis in plekjes (2)


Geschiedenis in plekjes (2)

Verhalen moet je bezoeken. Dan kom je merkwaardige dingen tegen waarachter sterke verhalen schuil gaan. Vandaag de tweede reeks foto’s van Myriam Lemmens, in een reeks van tien





1. Het Iers kerkhofje van Lafelt

Op 2 juli 1747 vond in en om het gehucht Lafelt vlakbij Maastricht langs de oude Romeinse heirbaan één van de bloedigste veldslagen ooit in de Lage Landen plaats. Aan het einde van de Oostenrijkse Successie-oorlog vochten het Frans leger van Lodewijk de Vijftiende en het geallieerde leger van Oostenrijkers, Engelsen en Nederlanders – samen zo’n 150.000 man – om de toegang tot het eeuwig strategische Maastricht. De Fransen wonnen, dankzij een charge van Ierse eenheden die hen bijstonden in de hoop op die manier bevrijd te worden van de Engelsen. Ruim 10.000 soldaten zouden die dag gesneuveld zijn. Volslagen nutteloos overigens, want kort nadien begonnen vredesbesprekingen in het nabije Aken waarin de minzame Franse koning zijn pas veroverde Zuidelijke Nederlanden weer afstond om echte vrede na te streven. Ook de Ieren kregen hun zin niet. In de jaren zestig van de vorige eeuw hoorde de toenmalige Limburgse gouverneur Louis Roppe tijdens een bezoek aan Ierland van het vergeten verhaal van de slag van Lafelt. Met de hulp van Ieren uit de stad Cork werd er toen dit klein Iers monument rechtgezet, dat wil blijven herinneren aan de 800 gesneuvelde Ierse soldaten van de slag van toen.




2. Het Koningsplein van Brussel

Het Koningsplein van Brussel (hier gefotografeerd naar de Koningssraat en het Park toe) werd in het laatste derde van de achttiende eeuw aangelegd door de toenmalige landvoogd in Oostenrijkse dienst, Karel van Lotharingen, op de veertig jaar oude ruïnes van het majesteuze paleis van de hertogen van Brabant, dat op een koude februarinacht in 1731 volledig was uitgebrand.  De landvoogd zelf kreeg een standbeeld in het midden van het plein, dat in de 19de eeuw werd vervangen door dat van Godfried van Bouillon, en nu op het binnenplein van het Museum voor Schone Kunsten staat. Drie maal kwam een nieuw staatshoofd de eed afleggen op de trappen van de kerk van de voormalige kerk van de abdij van Sint-Jacob op de Koudenberg op het plein: de Oostenrijkse keizer Franz II in april 1794 (als laatste hertog van Brabant en de eerste vorst van de Nederlanden die dat in Brussel zelf deed sinds Filips II in 1549), de Nederlandse koning Willem I (als eerste vorst van het nagelnieuwe koninkrijk der Nederlanden) in september 1815, en de Duitse prins Leopold van Saksen-Coburg als eerste koning van het nieuwe België op 21 juli 1831. Tussen 23 en 27 september 1830 was het plein het toneel van de hevigste strijd tussen het geregeld leger van Willem I en de opstandelingen van Brussel.


3. De textielmachine van Verviers                    

In 1799 bouwde de Vervierse textielondernemer Ivan Simonis met behulp van zijn Engelse medewerker William Cockerill de eerste moderne textielfabriek van het vasteland waar met machines katoen werd gemaakt. Een jaar later smokkelde de Gentenaar Lieven Bauwens een Mule Jenny, een hoogwaardige spinmachine, in onderdelen naar Gent, en later naar Parijs waar ze op grote schaal werd nagemaakt en vrij snel ook in Verviers verspreid geraakte. Op die manier werden de voormalige Zuidelijke Nederlanden (Verviers lag tot 1795 in het hertogdom Limburg) het eerste land buiten Engeland waar de Industriële Revolutie op gang kwam. Die voorsprong maakte het na 1830 onafhankelijk geworden België tot diep in de 19de eeuw een klein land met een buitengewone economische macht. De machine op de foto is te bezichtigen in het uiterst didactische en boeiende Centre de la Laine et de la Mode in Verviers dat in een andere beroemde oude textielfabriek, die van Dethier, een plaats heeft gevonden.  Ook Gent heeft zijn Mule Jenny bewaard, in het Museum voor IndustrIële archeologie en Textiel.




4. Het laatste paleis van de Duitse keizer, in Spa

Hier in het lieflijke en uitermate vredige kasteel Neubois even buiten Spa logeerde Willem II, de laatste keizer van Duitsland, vele malen tijdens de Eerste Wereldoorlog, telkens hij op bezoek kwam naar de Duitse generale staf – Hindenburg en Ludendorff – die zijn hoofdkwartier gevestigd had in het centrum van het kuuroord ten zuiden van Verviers. De laatste keer dat dat gebeurde was vanaf 29 oktober 1918, toen de Duitse nederlaag al overduidelijk was. Willem stond onder druk om te abdiceren, als zoenoffer om sneller tot een wapenstilstand te komen. Maar hij weigerde, tot op 9 november het bericht uit Berlijn kwam, dat daar de revolutie was uitgebroken en hij gewoon was afgezet. De net geen 60-jarige keizer bereikte in de allervroegste uren van een mistige 10 november de 40 kilometer noordelijker gelegen grenspost van Eijsden aan de Belgisch-Nederlandse grens, net voorbij Visé, het eerste dorp waar zijn troepen in augustus 1914 een deel van de bevolking koudweg hadden uitgemoord. Willem, nu nog slechts een gewone burger, vroeg aan de grenspost om asiel in Nederland. Het duurde bijna een hele dag eer uit Den Haag een positief antwoord toekwam.



                                                                                                                  
5. Aux Pays-Bas, in Maastricht

Misschien is de afgezette keizer, eens hij in Nederland was, ook nog wel langs het Vrijthof gepasseerd, het centrale plein van Maastricht een vijftal kilometer voorbij de grenspost van Eijsden. Dan kan het dat ook hij het insigne boven één van de cafés heeft gezien: Aux Pays-Bas. De burgerij van Maastricht sprak toen bijna evenzeer Frans als die van Gent en Leuven, maar zou de volgende halve eeuw geleidelijk omschakelen naar keurig Nederlands. Ze had daar geen taalwetten voor nodig, wel de invloed van het onderwijs. De inscriptie leert ons dat taal tot in de twintigste eeuw grotendeels klasse-gebonden was, veel meer dan territorium-gebonden. Ook de oude wijsheden over de taalgrenzen in onze contreien, die in de Romeinse tijd zouden zijn ontstaan, zijn inmiddels aan revisie toe en ingeruild voor een veel diffuser beeld. In 1918 sprak men in Maastricht alleszins maar twee talen: het volk het plat Limburgs (zoals ook André Rieu, een zoon van de streek, vandaag nog doet in zijn jaarlijks massaal bijgewoonde concertreeks op het Vrijthof) en de burgerij Frans.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen