zondag 15 april 2012

De Hedwigepolder, op de eeuwenoude frontlijn tussen mens en zee



(Het Verdronken Land van Saeftinghe, het natuurgebied dat getuigt hoe de zee er uitzag voor de mens in de Lage Landen haar gingen indijken, en hoe de zee in duizend jaar ruim honderd dorpen verzwolg. Krijgt het nu een uitbreiding in de Hedwigepolder? Foto: Myriam Lemmens)




De voorbije dagen was er andermaal veel te doen rond de Hedwigepolder (zo genoemd naar een hertogin van Arenberg uit de 19de eeuw), ten noorden van Doel vlak over de Nederlandse grens en grenzend aan het Verdronken Land van Saeftinghe. Dat Verdronken Land is ontstaan na stormvloeden en dijkdoorbrekingen tijdens de oorlog tussen Alva en de opstandelingen in de Nederlanden omstreeks 1570. Zo verdween het dorp Saeftinghe, dat zelf in de 13de eeuw was ontstaan na indijking van het gebied, onder de waterlijn.

De Europese Commissie legt nu aan Vlaanderen en Nederland op dat ze in ruil voor de gezamenlijk overeengekomen verdieping van de Westerschelde het Verdronken Land feitelijk zouden uitbreiden tot de Hedwigepolder, door die onder water te zetten. Op die manier worden de risico’s van overstroming, die groeien bij de uitdieping, wat getemperd. De Schelde en het getij krijgen een nieuwe natuurlijke overstromingszone. Bovendien krijgt de originele flora en fauna - of wat men denkt dat origineel is - weer meer kansen, en staat het Verdonken Land zelf minder onder druk. De argumentatie van de Commissie vind je in deze brief uit 2011 van Europees Commissaris Potocnik, te lezen via voetnoot 7 van het het wikipedia-artikel over de Hedwigepolder.

Dat het Verdronken Land bewaard moet blijven is overduidelijk. Uit de passage uit mijn nieuwe boek ‘België, een geschiedenis zonder land’ die ik hieronder weergeef, blijkt voldoende  waarom. Maar ik begrijp ook perfect de Zeeuwse boeren die dit vruchtbare akkerland niet zomaar weer willen geven aan de zee, omdat die meer vrij spel krijgt in het estuarium zelf.
Dit is immers de frontlijn van mens tegen zee. Eén van de meest intense ter wereld. En hoewel de mens de strijd na duizend jaar lijkt te winnen, is het nooit zeker dat hij gestreden zal zijn.


HET TEMMEN VAN DE ZEE (fragment uit hoofdstuk 2)

Op zo’n vijftien kilometer ten noorden van Antwerpen, vlak over de grens met Nederland, varen grote zeeschepen voorbij een landschap zoals elke vlakke kust er in haar oervorm moet hebben uitgezien. Het Verdronken Land van Saeftinge is een beschermd natuurgebied van enkele vierkante kilometers, buiten de dijken, met hoog gras en greppels en grachten die er door trekken en er het water afvoeren. Enkel herders met schapen en de natuurgidsen voor de toeristen kennen er hun weg. Het is land aan de zee, zoals het er uitzag toen er nog geen dijken waren, met slikken en schorren, kreken en geulen, en taai gras dat enkel schapen willen eten.

Onder het Verdronken Land – en uiterst sporadisch aan de oppervlakte – ligt nog de kerk van Saeftinge. Daarrond stonden de huizen van het omliggende dorp, dat door indijking in de 13de eeuw was ontstaan, maar in 1570 overspoeld geraakte bij een van de vele fatale noordweststormen die tot in 1953 om de zoveel decennia grote overstromingen veroorzaakten in de hele delta van Schelde, Maas en Rijn. Meer dan honderd dorpen en enkele stadjes zijn in de loop van de voorbije duizend jaar zo ondergegaan, in Zeeland, Zeeuws-Vlaanderen en voor de Belgische kust. In 1516 en 1530 verdween telkens een tiental dorpen bij de overstroming van een heel eiland in het mondingsgebied, respectievelijk aan het uiteinde van de Westerschelde en in het Verdronken Land van Zuid-Beveland in de Oosterschelde. Het gevecht met het water is de mensen van dit gebied in de genen gegrift geraakt. Bij tientallen zijn de historische getuigenissen, zoals deze uit de Chronicon Tielense, gevonden in het Gelderse Tielen, waar de auteur dertig jaar later nog onder de indruk was van de Sint-Elizabethsvloed van november 1421, die stroomafwaarts van Tielen de Biesbosch deed onstaan:

Daags na Sint Elisabeth 1421 woedde er 's nachts zo'n hevige storm, dat de wind met orkaankracht in Tiel en elders verschillende huizen omver blies en in Holland door dijkdoorbraken veel schade aanrichtte. Tweeduizend mensen zijn, naar men zegt, verdronken. Bij mensenheugenis was het niet voorgekomen, dat een overstroming zó erg en het peil van het zeewater zó hoog was. Bijna heel Holland is, evenals Vlaanderen en Zeeland ondergelopen. Hierdoor kwam ook de grote Zuidhollandse Waard onder water te staan en ging verloren. Er zijn kerken verplaatst, omdat het overstroomde gebied er nog steeds zo bij ligt en tot nu toe helemaal niet kon worden herdijkt

In Saeftinge dringt pas goed door wat één van de grootste omwentelingen geweest is omstreeks de tiende eeuw in dit deel van Europa. De mens accepteerde niet meer dat hij lijdzaam de verschrikkelijke grillen van de zee moest ondergaan. Hij trachtte meer greep te krijgen op die krachten, begon ze letterlijk ‘in te dijken’, in een nieuwe ontwikkeling van het menselijk vernuft. Dat proces heeft zich duizend jaar lang verder ontwikkeld en heeft pas recent een redelijk niveau van veiligheid tegenover de zee gerealiseerd. Het heeft haast zeker ook een cruciale bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de westerse beschaving.


Het is één van de markantste vaststellingen uit de geschiedenis van de Lage Landen, maar waarbij amper iemand is blijven stilstaan. Tot het jaar 1000 ongeveer spelen de meeste historisch bekende gebeurtenissen in deze contreien zich af in het gebied tussen Maas, Rijn en Moezel, en een beetje in het gebied ten zuiden van de oude Romeinse heirbaan van Bavai naar Tongeren. Daar lagen ook de schaarse steden. Einhardt, de biograaf van Karel de Grote en zelf abt van de Sint-Pietersabdij van Gent, vermeldde even die nederzetting aan de vertakte samenvloeiing van Schelde en Leie, die toen vermoedelijk niet meer dan de abdij zelf was, met een beetje woningen er rond. In dat eerste millenium na Christus waren de kustgebieden uiterst onherbergzame streken. Caesar zegt er nauwelijks wat over. De schaarse bronnen uit al die eeuwen nadien evenmin. Ook de archeologische bronnen brengen enkel wat verspreide sporen van bewoning en militaire versterkingen op. Ten noorden van Taxandria (de Kempen) en ten westen van de Schelde scheen enkel het grote niets te liggen.

Na het jaar 1000 van onze tijdrekening gaan de kustgebieden echter het verhaal domineren, bijna even exclusief als de andere regio’s in het eerste millennium. De steden en territoria die het tijdperk van de Romeinen en de Karolingers domineerden komen nauwelijks nog in het stuk voor. Tot op de dag van vandaag bepaalt het verleden van de zeeprovincies – Vlaanderen, Brabant en Holland vooral – het geschiedenisbeeld in zowel Nederland als België. Nochtans hebben ze voor het jaar 1000 – en Holland zelfs voor het jaar 1200 – geen enkele rol van betekenis gespeeld. Vanwaar die verschuiving? Waarom betekenden de zeeprovincies niets in het eerste millennium? Waarom braken ze door in de late middeleeuwen? Waarom deemsterde het land tussen Maas en Rijn toen weg?

De verklaring ligt voor een stuk in het landschap en wat de mens ermee gedaan heeft. Bij de laatste Ijstijd, die eindigde zowat 10.000 jaar voor Christus, reikte de ijskap tot wat vandaag de Oude Rijn in Nederland is. Na het smelten van het ijs is de Noordzee ontstaan en is het zeepeil beginnen stijgen, in golven van twee tot drie millennia, wat sneller en dan weer trager, afhankelijk van de kleinere klimaatveranderingen die zich na de Ijstijd voordeden. Landschappelijk leverde de opwarming moerassen en venen op, en lagunes, in wat voorheen onbewoonbare permafrost was. Telkens als de zee op het land doorbrak in veel warmere periodes liet zij grote waterplassen en zompige landen achter. In dat half verzopen land zochten grote rivieren – de Maas, de Rijn en de Schelde - hun monding, in beddingen die steeds weer wisselden, in ligging en in omvang.

Anders dan in rivierdelta’s elders in de wereld – de Nijl, Tigris en Eufraat, de Ganges en de Brahmaputra, of de Yangtze - lijkt er op het vruchtbare land van de rivierenmonding van Rijn, Schelde en Maas niet meteen veel volk te zijn afgekomen. Mensen zijn vanwege de lange Ijstijd natuurlijk pas heel laat in het gebied doorgedrongen, misschien pas na 8000 of 7000 voor Christus. Landbouw is er veel later tot ontwikkeling gekomen dan aan de Middellandse Zee. Mogelijk woog vanwege de noordelijke ligging, en ondanks de opkomst van de Golfstroom, de potentiële opbrengst die landbouw kon verschaffen ook niet op tegen de risico’s van een zeer stormachtige zee, en grillige brede stromen in een voor de rest vlak landschap.

Van mensen in het laagland weet men een beetje van de Friezen. Van hen zijn er in het noorden van het huidige Nederland en het noordwesten van Duitsland zeldzame sporen terug te vinden die tot 600 voor Christus teruggaan. Duidelijk is echter ook dat hun aantal beperkt was, en dat ook zij vanaf 400 onder druk stonden van het stijgende water. Dat dwong hen hun dorpen op steeds meer kunstmatige verhogingen te bouwen – terpen - en zich meer op zeevaart te gaan toeleggen. Geografisch aflijnen waar de Friezen woonden, en tot waar dus na 50 voor Christus de Romeinse invloed reikte, blijft een haast onmogelijke zaak.

De talrijke vondsten van Romeinse legerkampen leren dat de limes, de militair versterkte grens, aan de ‘oude’ Rijn lag, vandaag een kleine rivier die een stuk noordelijker dan de huidige Rijnmonding via Utrecht en Leiden naar Katwijk-aan-Zee loopt. Niemand weet echter met zekerheid hoe de verhouding tussen land en water er in het gebied van de Rijnmonding toen uitzag. Wel weten we dat langs heel de vlakke kustlijn tussen de krijtrotsen van Calais en de monding van de Weser de zee vrij spel had. Zij drong bij vloed langs geulen diep in het land door en verlegde bij uitzonderlijke stormen radicaal de kustlijn. De kroniek van de abdij van Sint-Bertijns (Annales Sancti Bertini) in Saint-Omer vermeldt er bijvoorbeeld één van, in het jaar 839:

Op de zevende dag van januari deed zich zo’n overstroming voor langs de normale kustlijn, dat bijna geheel het gebied der Friezen werd overspoeld. De hoge ophopingen van zand daar, die men er duinen noemt, werden bijna platgestreken. Alles wat er op woonde, zowel mensen als vele dieren en huizen, werd vernietigd.

De kustlijn lag in de tijd helemaal anders dan vandaag, en varieerde ook voortdurend. Het meest gebruikte beeld voor de Romeinse tijd is dat van een vrij stevige noordkust van het huidige Nederland, zonder Waddeneilanden en met een veel kleinere Zuiderzee (Lacus Flevo). Daarentegen was er een veel grotere inham van de kust in het zuiden van het huidige Nederland waar het zeewater langs een lijn ten noorden van het latere Brugge naar Antwerpen liep en zo omhoog. Het huidige Zeeland was niet meer dan een stel zandbanken, die bij vloed regelmatig geheel overspoeld werden. Tussen Brugge en de rotsen van Calais liep de kustlijn eerst van Brugge naar Oudenburg, met een wadden-achtige reeks eilanden enkele kilometers buiten het strand. Ten zuiden van Oudenburg lagen een reeks diep in het land reikende geulen die tot het latere Saint-Omer, Kassel en Ieper doordrongen. Waar nu Veurne of Oostende liggen, was toen nog zee.


 
Na de Romeinse tijd steeg het zeewater opnieuw, tussen de 3de en de 8ste eeuw. Of dat geleidelijk gebeurde, of via brutale grote overstromingen om het handvol eeuwen (zogenaamde ‘transgressies’) waarbij telkens vele kilometers land voor lange tijd in zee verdwenen, is een discussiepunt. In het noorden, in het latere Holland, bleef de kustlijn van duinenruggen, zoals die in de Romeinse tijd bestond, grotendeels gevrijwaard, totdat de zee tussen de tiende en twaalfde eeuw de afwatering van het Flevo-meer openbrak. Hierdoor ontstond de brede Zuiderzee die Holland van Friesland zou scheiden en de haven van Amsterdam zou doen ontstaan.

De vaargeul van de Schelde liep boven het latere Antwerpen noordwaarts tot aan de Maas, maar waar beide samen stroomafwaarts bij vloed in de zee opgingen is helemaal niet zeker. In dezelfde periode verzandde vermoedelijk de Rijnmonding van de Romeinse tijd – de ‘oude Rijn’via Utrecht  - en verlegde de afwatering van die grote stroom zich zuidelijk naar de Maasvallei, waardoor de Waal ontstond. Aan de Vlaamse kustlijn deden zich minder verschuivingen voor.  Een inbraak van de zee creëerde in 1134 nabij Brugge wel het Zwin.

Aan het einde van de Karolingische tijd was de pagus Flandria, het bestuursgebied dat onder Karel de Grote werd gecreëerd en aan een lokale ambtenaar, de graaf, werd toevertrouwd, nog altijd even onherbergzaam als altijd: nauwelijks beschermd tegen de zee, af en toe blootgesteld aan de grillen van de monding van de grote rivieren, zanderig, zompig, winderig, regenachtig. En natuurlijk met heel weinig mensen die er waagden te wonen. Dat blijkt ook uit het verhaal van Guillaume, de monnik van de Normandische abdij van Jumièges, in zijn Gesta Normannorum Ducorum (De daden van de Normandische hertogen) van de vroege 11de eeuw. Hij vertelt hoe de Noormannenhoofdman Rollo in het jaar 911 het gebied van de beneden-Seine plunderde. Om Parijs buiten schot te houden deed de machteloze West-Frankische koning Karel II (later bijgenaamd Charles le simple) hem daarop een aanbod:

De koning schonk hem zijn dochter en het eerder vermelde grondgebied tussen de rivier de Epte en de rand van Bretagne. Hij voegde er ook nog Bretagne aan toe, om hem van bestaansmiddelen te verzekeren. Rollo zwoer in een eed trouw aan de koning. En de prinsen van die provincie, Beranger en Alain, zwoeren op hun beurt de eed tegenover Rollo.

Want dat maritiem gebied, dat we vandaag Normandië noemen, dat al zo lang de prooi was van rooftochten van de heidenen, was in die tijd overdekt  met grote bossen en braak, zonder dat het snoeimes en de ploeg het cultiveerden. De koning had eerst de provincie Vlaanderen willen geven aan Rollo om hem van bestaansmiddelen te verzekeren. Maar Rollo wilde het niet aanvaarden, omdat de moerassen er zoveel hinderpalen vormden.

Rollo, die zo een verre voorvader van de huidige Engelse koningin werd, weigerde met andere woorden Vlaanderen omdat het nog meer onherbergzaam was dan Normandië (wat waarschijnlijk ook verklaart waarom de Franse koning er zo gul mee wilde zijn). Bewoond was het land ten westen van de Schelde amper. Er zijn daar geen sporen teruggevonden van een Romeinse villa, enkel van wat forten op de kustlijn tegen de piraterij. Uit de Frankische tijd heeft men weet van één groter domein. De indruk overheerst dat de streek tot in de tiende eeuw minder dicht bevolkt was dan de Ardennen.


 
Tot duizend jaar geleden verzette de mens zich niet tegen die grillen van de zee. Daar was geen behoefte aan, ook geen kennis of technologie voor.  Omstreeks 800, na zowat een half millennium, kwam het oprukken van de zee echter tot stilstand, ook al bleven vreselijke stormvloeden en springtijen nog regelmatig de kusten, de delta en het laagland teisteren. Toen het zeepeil niet meer steeg, slibden steeds meer kreken en geulen dicht, door het zand dat schaarser wordende hoge vloeden aandroegen. Na tientallen jaren stonden die plassen per jaar lang genoeg droog om een primitieve zoute vegetatie een kans te geven. Dat bleek ideale grond om schapen te weiden. Zo werden herders de eerste vaste bewoners.

Schapen waren al in de Romeinse tijd op kleine schaal gekweekt, maar hun aantal nam toe, toen ook de bevolking begon te groeien, rond de millenniumwisseling. Herders gebruikten al verhoogde routes in de schorren die op de zee gewonnen waren, en schijnen daar, ten laatste vanaf de tiende eeuw, ook geleidelijk kleine, primitieve dijkjes in gebouwd te hebben, om de landen van hun schapen beter te beschermen. Mogelijk werden ze, doordat er steeds meer herders en schapen kwamen, gedwongen meer risicovolle gebieden op te zoeken, en werden ze creatief om zich beter te beschermen.

Vanaf de 12de eeuw deed de bevolkingsgroei heel snel de behoefte aan bijkomende grond ontstaan. In eerste instantie gingen steeds meer boeren grote delen van het dichtbeboste graafschap Vlaanderen vrij hakken, zoals hun collega’s vandaag in het regenwoud op de Evenaar dat nog steeds doen. De heer kon daar niet tegen zijn, want het bracht ook hem meer op. Vrij snel gingen graven en heren trouwens zelf het initiatief nemen om op grote schaal nieuwe landerijen te creëren. Daarvoor moesten ze mankracht mobiliseren en dus beloningen in het vooruitzicht stellen. Dat kostte in eerste instantie middelen en toegevingen, maar bracht op termijn veel meer op. Grond ontginnen werd een belegging.

In het kust- en poldergebied en aan de rivieroevers ging men daarbij ook een beroep doen op de primitieve techniek die de herders hadden ontwikkeld om hun schapen te beschermen tegen de grillen van de zee: het bouwen van dijken. Abdijen zoals die van Sint-Bertijns in Saint-Omer, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, of Sint-Amand in Saint-Amands-les-Eaux maakten van dat indijken spoedig een technologie, die ze op veel grotere schaal gingen toepassen. Toen dan de landwinning eind van de 11de eeuw een speculatieve business werd, sprongen ook de graven van Vlaanderen op de kar. Zij hebben onder meer het hele Zwingebied ingedijkt en ingericht.

Een aparte vermelding verdienen de abdijen van de nieuwe orde der cisterciënzers, die zich vanaf de 12de eeuw in hun drang naar afzondering, op de cultivering van zeer onherbergzame gebieden gingen toeleggen. In het Vlaamse kustgebied waren dat vooral Ter Doest en Ter Duinen, die de kustlijn westwaarts zouden verleggen. De landwinning werd zo een spectaculair en breed gedragen proces, dat na 1250 wel over zijn hoogtepunt geraakte, en na de bevolkingscrisis door de grote pestepidemie van 1348  bijna helemaal stilviel. Tegen dan was de grens van het graafschap Vlaanderen met de zee gestabiliseerd op de lijn die ook vandaag nog de kust vormt. Er was in die drie eeuwen een formidabel stuk land bijgekomen. De kustlijn lag 5 tot 15 kilometer – en ter hoogte van Veurne zelfs 40 kilometer – meer westwaarts dan drie eeuwen vroeger. Vooral was het hele gebied heel wat veiliger en beter bewoonbaar geworden.

Die veroveringstocht tegen de Noordzee was een krachttoer voor een toch nog primitieve maatschappij, en een technologische hoogstand. Dante prees omstreeks 1300 in zijn Divina Commedia vanuit Firenze de Fiamminghi, fra Guizzante e Bruggia (de Vlamingen, tussen Wissant en Brugge), omdat ze zo’n stevige dijkenbouwers waren .De technieken van dijken bouwen, sluizen, afwatering en waterbeheer zouden zich vanuit de kustlijn van het graafschap Vlaanderen verspreiden naar heel de delta van de monding van Rijn, Maas en Schelde. Dat gebeurde eerst, vanaf de 12de en 13de eeuw naar het hertogdom Brabant, waar Mechelen, Lier, Antwerpen, Breda, den Bosch of Geertruidenberg pas steden konden worden nadat het omliggende gebied enigszins werd ingedijkt en goede landbouwgrond opleverde. Later, vanaf pakweg de 15de eeuw, herhaalde zich het fenomeen in Zeeland vooral, maar ook in Holland, met de spectaculaire drooglegging van het Haarlemmermeer en het ontstaan van een stabiele zeeoever.

Die technologie wordt vandaag nog steeds zorgvuldig gecultiveerd en verder ontwikkeld in de polders en wateringen in de Belgische deelstaat Vlaanderen en in de waterschappen in Nederland, besturen die men in beide landen nog altijd belangrijk genoeg vindt om er aparte verkiezingen voor te houden. Het opvallendste symbool van de strijd tegen het water vandaag is vermoedelijk het ministerie van Rijkswaterstaat in Den Haag, het meest vertakte en omvangrijke bestuursapparaat van Nederland. Slechts weinigen beseffen hoezeer het overleven van een land dat voor een derde onder de zeespiegel ligt, gedirigeerd en beheerd wordt vanuit de mastodont aan de Koningskade even buiten het centrum van Den Haag.




1 opmerking:

  1. Gezien de historische vondsten op de Engelsche Eilanden en de leeftijd daarvan kan men vermoeden dat er tijdens de ijstijden gebruik is gemaakt van de drooggevallen Noordzee. Ook de opgebaggerde beenderen en bossen in de huidige Noordzee geeft aan dat het begroeid was en mogelijk zelfs bewoond. Het gebrek aan vondsten van menselijke activiteit is geen bewijs dat die activiteit er niet is geweest. Men kan vermoeden dat er veel gewerkt is met organisch materiaal welke in de loop van duizenden jaren niet meer terug te vinden is.

    BeantwoordenVerwijderen