maandag 9 april 2012

Schilderijen vertellen geschiedenis


De geschiedenis van de schilderkunst in de Lage Landen kan je lezen als een graadmeter van economisch succes. Enkel waar rijkdom was kon men immers meesters betalen om soms jaren aan één schilderij te werken. Van het graafschap Vlaanderen in de 15de eeuw (Van Eyck, Memlinc, Van der Weyden) verspreidde dat vakmanschap zich naar het hertogdom Brabant in de 16de en vroege 17de eeuw (Bosch, Breugel, Rubens, Van Dijck) en zo naar Holland in de 17de eeuw (Rembrandt, Vermeer …).

Maar je kan in de schilderkunst ook een stripverhaal van de geschiedenis lezen. Uiteraard met veel statieportretten en uitbeeldingen van veldslagen, want dit was wat de ijdelheid van de opdrachtgevers verlangde. Maar schilderijen zijn sowieso onze voornaamste visuele getuigen van de tijd voor de fotografie (°1830), en verdienen speciale aandacht voor wat ze vertellen. Zeven voorbeelden, die mij al vaak geboeid hebben, illustreren dat.




1. Karel V na de slag bij Mühlberg van Titiaan

Keizer Karel, de oorspronkelijk wat bekrompen en schuwe Bourgondiër die in zijn veroveringstochten de Italiaanse renaissance leerde smaken, haalde in 1548 de Venetiaanse schilder Tiziano Vecello, beter bekend als Titiaan, naar Augsburg, de stad van zijn bankiers, de Fuggers. Hij liet er dit portret van zichzelf maken, als overwinnaar te paard na de slag bij Mühlberg in Saksen. Zijn leger, onder leiding van Don Fernando Alvarez de Toledo, de hertog van Alva, had daar een jaar eerder de Duitse protestanten in de pan gehakt. In de realiteit lag de keizer tijdens de slag op een draagberrie, kermend van de jicht. Maar het portret is vooral een symptoom van de zelfverzekerdheid die Karel V in 1548 uitstraalde. Anders dan vroeger staat hij niet knielend voor God afgebeeld, maar trots, in harnas, te paard, in een uiterst originele setting. De keizer had, zoals zijn Bourgondische voorvaderen, een goede artistieke smaak, en moet zich oppermachtig gevoeld hebben in dat jaar. De beheersing van Europa lag binnen handbereik. Op zijn 47ste was hij A man in full. Niets kon hem doen vermoeden dat de afgang op dat moment zo nabij lag, binnen de muren van zijn eigen paleis …


















2. De kindermoord van Bethlehem van Pieter Bruegel

Pieter Bruegel de Oudere zou dit bijbels tafereel afgewerkt hebben in 1567 in zijn atelier in Brussel, twee jaar voor zijn dood. Zoals bij alle schilderijen van de oude Bruegel, over wie we zo weinig weten, is er ook rond dit heel wat mysterie. Omdat de datum van vervaardiging onzeker is, bestaat er een onopgeloste discussie over de vraag of de moord op de kinderen van Bethlehem uit Mattheus’ evangelie al dan niet een allegorie is op de komst van de hertog van Alva als nieuwe, autoritaire landvoogd van de opstandige Nederlanden. Bruegels werken bevatten wel meer verwijzingen naar de woelige tijd waarin hij leefde, en als artiest in een grote stad was hij haast zeker gevoelig voor de nieuwe ideeën. Maar Alva kwam pas begin augustus 1567 in Luxemburg toe met zijn leger. De arrestatie van de graven van Egmont en Horne,  het begin van een bloedige repressie, vond plaats op 9 september. Vandaar de discussie: de troepen die de kindermoord uitvoeren op het schilderij zijn eigentijdse soldaten, de fameuze tercio’s van keizer Karels en Alva’s quasi onoverwinnelijke leger. Maar dat is normaal op elk schilderij van die tijd. Blijft de vraag of de aanvoerder van de troepenmacht, de man met zijn lange, witte baard in het pikzwarte harnas ook Alva zelf is? Het lijkt net iets teveel toeval.




3. De overgave van Breda van Diego Velazquez

Diego Velazquez, de eerste grote naam uit de Spaanse schilderstraditie, maakte dit doek tien jaar na de feiten, in Madrid. Het was een eerbetoon aan zijn vier jaar eerder overleden beschermheer en vriend, de Genuese veldheer Ambrogio Spinola met wie hij een paar jaar door Italië was gereisd. Die had in 1625 na een lange belegering aan het hoofd van de Spaanse troepen Breda veroverd op de Oranjes (eerst Maurits, en toen die overleed Frederik-Hendrik). Dat was overigens tegen de instructies in die hij gekregen had, maar Spinola had twintig jaar eerder ook Oostende ingepalmd na een belegering van drie jaar, en slaagde in een herhaling van dat militair bravourestuk. Ongetwijfeld genietend van die triomf toonde de Genuees zich uitermate mild tegenover de overwonnenen, onder wie de gouverneur van de stad, de 65-jarige Justinus van Nassau, een buitenechtelijke zoon van de Zwijger. Op Velazquez’ doek is hij het die de sleutel van Breda overhandigt aan Spinola. Het allesbehalve martiaal tafereel blijf een zeldzaam moment van menselijkheid in de voor het overige uitermate brutale en destructieve Dertigjarige Oorlog. De inname van Breda was overigens één van de laatste gloriemomenten van de tercio’s, het Spaanse leger dat honderd jaar lang de Europese slagvelden domineerde.



4. De oversteek van de Rijn van Adam Frans Van der Meulen

Adam Frans Van der Meulen was al voorbij de veertig toen hij in Parijs aan zijn meest beroemde schilderij begon. Hij was opgeleid in Brussel, aan het atelier van Pieter Snayers, in de beste Brabantse schildertraditie. In 1664 haalde Colbert hem naar de Franse hoofdstad. Voortaan mocht Van der Meulen de veroveringen van zijn nieuwe meester schilderen, Louis XIV, le Roi-Soleil. Het is in het Palais des Tuileries dat hij zijn bekendste werk vervaardigde, dat vandaag in het Rijksmuseum in Amsterdam hangt. Het toont vooraan de Zonnekoning zelf te paard die in een breed gebaar zijn troepen aanvuurt. Die stormen een helling af dwars door een brede stroom, waar aan de overkant een toren in brand staat, getroffen door de kanonnen. De hemel is blauw, met wat wolken, en een lichte sliert nevel nog boven het water. Het was 12 juni 1672 en Lodewijks ‘finest hour’: zijn leger stak in een razend snel offensief de Rijn over, op een doorwaadbare plaats nabij het historische Tolhuis van Lobith in Kleve net buiten de grenzen van de Republiek der Zeven Provinciën (vandaag net binnen Nederland). Van der Meulen speelde met hele tafereel volop in op de impressie die de tijdgenoten van die veldtocht overhielden: een blitzkrieg van een onstuitbare troepenmacht. De val van Holland kon nog slechts een kwestie van dagen zijn…



5. Episode van de Septemberdagen 1830 op het Stadhuisplein te Brussel van Gustaaf Wappers

De Antwerpse schilder Gustaaf Wappers vervaardigde in 1835 als jonge dertiger dit immense en pathetische doek over de Belgische revolutie van vijf jaar eerder, duidelijk ook geïnspireerd door het voorbeeld van Eugène Delacroix over de Franse juli-revolutie van hetzelfde jaar. Hij deed dit in opdracht van de nieuwe machthebbers over het nieuwe land, vermoedelijk zelfs de legercommandant Félix Chazal, die de linkerhelft van het tafereel domineert vanop zijn paard. Chazal was in 1830 22, woonde in Luik, maar trok na het uitbreken van de opstand mee naar Brussel met zijn goede vriend, de jonge advocaat Charles Rogier. Hij vluchtte net als de meeste revolutieleiders tijdens de cruciale septemberdagen Brussel uit, vanwege de logische verwachting dat het geregelde leger van het Koninkrijk der Nederlanden de opstand en de chaos snel in de kiem zou smoren. De bestelling bij Wappers diende uiteraard om het nog uiterst wankele België aan legitimiteit te helpen. Ook de regering en koning Leopold deelden subsidies daarvoor uit, o.a. aan een andere Antwerpse schilder Nicaise De Keyser die in 1836 op gelijkaardige wijze de Guldensporenslag uitbeeldde als roemrijke episode van het Belgisch verleden. Dat schilderij zou op zijn beurt de jonge Antwerpse en op zijn beurt gesubsidieerde auteur Henri Conscience inspireren voor zijn meesterwerk De Leeuw van Vlaanderen, dat in 1838 verscheen. Bedoeld als ode aan het Belgisch verleden, werd het later de inspiratiebron bij uitstek voor Vlaamsnationalisten.  Wappers en Conscience waren goede vrienden.





6. Flandern van Otto Dix

Otto Dix was 23 toen hij zich in augustus 1914 als jonge schilder enthousiast meldde als vrijwilliger om te gaan strijden in het Duitse leger. Hij werd een oorlogsheld, vocht aan de Somme, in Rusland en finaal, in 1918, ook aan het front rond Ieper. Na de oorlog verwerkte Dix zijn oorlogservaringen in traumatische schilderijen, waarvan Flandern, uit 1934, ongetwijfeld het meest tot de verbeelding spreekt. De grijze hemel die een wordt met de rookpluimen van de verwoestingen, de grimmige soldaten die deel zijn geworden van het landschap van modder, plassen en puin. Het was één van de laatste werken waarin Dix openlijk de oorlog kon aanklagen. De nazi’s, die een jaar eerder aan de macht waren gekomen, verboden hem verder werken te exposeren en verbrandden een deel van zijn schilderijen in 1937 als ‘Entartete Kunst’ (Ontaarde Kunst).




7. De verdoemden van Felix Nussbaum



Felix Nussbaum, Duitser en zoon van een moeder van joodse afkomst uit Osnabrück, was 39 toen hij op 10 juni 1944 in zijn schuilplaats in de Brusselse Archimedesstraat vlakbij het Schumanplein door de Gestapo werd opgepakt, samen met zijn Poolse vrouw Felka. Hij woonde daar, op nog geen honderd meter van de plek waar vandaag Herman Van Rompuy, José-Manuel Barroso en Catherine Ashton huizen. Nussbaum en Felka Platek vertrokken met het laatste van de 28 konvooien vanuit de Mechelse Dossin-kazerne naar Auschwitz, waar ze vermoedelijk op 2 augustus zijn omgebracht, een maand voor de bevrijding van Brussel. De Duitse schilder had er dan al twaalf jaar van vluchtelingenleven opzitten, waarvan de laatste zeven jaar in Brussel. Vooral na de Duitse inval en bezetting drongen de angst voor de vervolging en de gruwel van zijn tijd steeds meer door in zijn schilderijen, die tot de meest beklijvende getuigenissen behoren van het dieptepunt van de Europese geschiedenis. ‘De verdoemden’ uit 1943 was zijn voorlaatste werk. Hij komt er zelf op voor (de man met pet die zijn kraag vasthoudt) in een decor dat herkenbaar de Archimedesstraat is.





 










Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen