donderdag 15 augustus 2013

Vrede in Utrecht, 300 jaar geleden

Een boer en zijn vrouw smeken om wat achter te laten bij plunderende Spaanse troepen in de Nederlanden tijdens de Dertigjarige Oorlog (te zien op de tentoonstelling)

Wie deze dagen de sleutel zoekt van de Spaans-Engelse ruzie om Gibraltar moet in Utrecht zijn. Daar loopt nog tot 22 september een tentoonstelling over de Vrede van Utrecht, die net driehonderd jaar geleden in het stadhuis daar werd gesloten. Die maakte een eind aan de Spaanse Successie-oorlog, misschien wel de eerste oorlog waarvan de slachtingen zelfs de deelnemers choqueerden. Die maakte ook een eind aan 160 jaar continu oorlog in het gebied dat later België zou heten.
De tentoonstelling ‘In Vredesnaam’ in het Centraal Museum van Utrecht  toont twee kaarten van Gibraltar uit de vroege 18de eeuw, uiteraard toen van Hollandse makelij. Ze laten duidelijk zien waarom die uitstekende rotspunt aan het eind van een smalle landengte zo belangrijk was: Met een paar stevige kanonnen controleerde je daar de passage in en uit de Middellandse Zee.
De verovering op 3 augustus 1704 door de gecombineerde Engels-Hollandse vloot – ten koste van een zestigtal doden – was de eerste geslaagde poging van de alliantie van tegenstanders van Lodewijk de Veertiende, de Franse Zonnekoning, om voet aan wal te krijgen in Spanje, dat bondgenoot was van Parijs. Eerdere pogingen in Barcelona en Cadiz waren mislukt en de verovering van het nietige haventje Gibraltar moest die mislukkingen doen vergeten.
Engelse troepen namen het stadje onder controle na 1704 en bouwden er een garnizoen uit. In het Frans-Engelse akkoord van het Verdrag van Utrecht bestendigden ze die trofee, zonder dat de Spaanse delegatie dat formeel mee ondertekende. De Republiek maakte geen aanspraken meer op het mee veroverde Gibraltar. Utrecht was immers ook de bevestiging dat in de Engels-Hollandse alliantie, die in 1689 was ontstaan met de kroning van stadhouder Willem III van Oranje tot vorst van Engeland, Schotland en Ierland en die in 1711 uiteenviel, Engeland de Europese hoofdrol van de Republiek had overgenomen.
 
Het stadhuis van Utrecht in 1663 op een schilderij van Adriaen Honich (uit de collectie van het Centraal Museum)
 
Koning-stadhouder
De tentoonstelling in Utrecht raakt dat allemaal aan. Hij begint met een lange aanloop, van bij Maarten Luther, om uit te leggen dat 1713 een anderhalf eeuw oud gevecht afrondde: tussen een katholieke, absolute vorst die naar hegemonie in Europe streefde om de eenheid van religie te herstellen – tot 1648 de Spaanse, nadien de Franse - en de rest. Die rest was heterogeen, maar steeds met het rijke Holland als sluitstuk en protestants Engeland in toenemende mate tot steun.
Na de net niet geslaagde Franse aanval op Holland in 1672, organiseerde Willem III telkens weer het weerwerk. Maar zijn wankele coalities slaagden er doorgaans enkel in de sterkere Fransen af te remmen. Uitgeput en zonder geld sloten Willem en de Zonnekoning in de jaren 1697-99 akkoorden, zelfs over de toekomst van de Spaanse monarchie, waar de laatste kinderloze Habsburger, Karel II, op sterven lag.
Die was daar niet bij betrokken en gaf in zijn testament, dat op 1 november 1700 werd geopend, de kroon door aan de tweede kleinzoon van Lodewijk, Philippe d’Anjou, weliswaar op voorwaarde dat beide landen nooit verenigd zouden worden. Voor de 61-jarige Zonnekoning was die laatste verleiding toch nog te groot. Hij ging zijn kleinzoon dirigeren en nam de Spaanse Nederlanden over.
Daarop organiseerde Willem III heel het jaar 1701 lang de tegen-alliantie, met de Habsburgse keizer in Wenen, en de meeste Duitse landen, waaronder de keurvorst van Brandenburg, die in ruil voor zijn steun voortaan de titel ‘koning van Pruisen’ mocht dragen. Enkel Beieren koos de Franse kant. De officiële oorlogsverklaring uit Londen en Den Haag volgde op 15 mei 1702, twee maand nadat de zieke en verzwakte koning-stadhouder Willem op 51-jarige leeftijd in Londen was overleden aan de gevolgen van een sleutelbeenbreuk na een val met zijn paard.
Churchill
De Spaanse Successie-oorlog was de oorlog teveel, zeker voor de Zonnekoning, maar ook voor de Republiek, die zich ruïneerde aan de betaling van de hoofdmacht van de geallieerde legers. De dominante Engelse figuur werd de hertog van Marlborough, bij zijn echte naam John Churchill, en de verre voorvader van Winston. In augustus 1704 leidde hij met gedurfde aanvallen de geallieerde legers nabij Blenheim in Beieren, en diende daar het sinds 1643 onoverwinnelijke leger van Lodewijk een zware en beslissende nederlaag toe.
De tentoonstelling in Utrecht laat visueel het verloop van die veldslag zien. Marlborough noemde later zijn somptueus kasteel in Engeland Blenheim Castle (de geboorteplek van Winston), en liet het versieren met wandtapijten over de slag, vervaardigd door de Brusselse wever Judocus de Vos. Van dan af leden de Fransen nederlaag na nederlaag. Door die in Ramillies (nabij Jodoigne), alweer met Marlborough als tegenstander, verloor de Zonnekoning ook de Spaanse Nederlanden..
De strijd tussen de enorme legers – vaak met 50.000 tot 80.000 man aan elke zijde – vond vanaf 1706 haast constant plaats in Vlaanderen, Henegouwen en Noord-Frankrijk. Maar Marlborough slaagde er niet in, na de verovering van Rijsel eind 1708, verder in Frankrijk door te dringen. De terugtrekkende Zonnekoning viste op dat moment al een poos naar vredesonderhandelingen. De beslissende doorbraak kwam er echter pas in 1711, toen in Londen de Tories aan de macht kwamen.
Die wilden van de oorlog af, stuurden Marlborough naar huis en dumpten hun Hollandse bondgenoot om met de Fransen te gaan praten. Tegelijk was de pretendent op de Spaanse kroon van geallieerde zijde, Karel, de tweede zoon van de keizer in Wenen, plots zelf keizer geworden na de dood van zijn vader en zijn oudste broer, en dreigde ook hij een veel te groot rijk in handen te krijgen
 
Zo kwam men op 11 april 1713 tot een reeks vredesakkoorden in het stadhuis van Utrecht (zie schilderij), na vijftien maanden onderhandelingen daar. Het was koehandel, ook al viel in de teksten voor het eerst het begrip ‘machtsevenwicht’. De Spaanse kroon bleef op het hoofd van Lodewijks kleinzoon, maar mocht nooit naar Frankrijk overgaan. De nieuwe Oostenrijkse keizer kreeg compensatie met de Spaanse Nederlanden en Zuid-Italië. Engeland pikte veel handelsvoordelen, Gibraltar en wat Franse kolonies in Noord-Amerika in, en een monopolie op (de te betalen) concessie van de Spaanse kroon voor de levering van Afrikaanse slaven aan de Spaanse kolonies in Amerika.
De Republiek kreeg de militaire controle op de Zuidelijke Nederlanden, via een barrière van forten aan de Franse noordgrens, bemand met Hollandse soldaten, betaald door de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden. Het verkreeg daar ook wat handelsvoordelen, en de zekerheid dat de haven van Antwerpen gesloten bleef. Niet voor niets is deze tentoonstelling de eerste in 300 jaar waarbij de Vrede van Utrecht – het onmiskenbare slot van de Gouden Eeuw – in Nederland toch een beetje wordt herdacht.

Anonieme gravure over de desolate staat van Duitsland (te zien op de tentoonstelling, en afkomstig uit Atlas Van Stolk, Rotterdam). Links: 'hier hackt de moeder haer eygen Kint in stucken om te eten'. Rechts: 'Hier worden de Dooden uyt der aerden gegraven om te eten'.
 
Honger
Het vredesakkoord werd overal met veel luister gevierd, zoals de tentoonstelling laat blijken, en niet zonder reden. Men was bijzonder hoopvol dat de oorlog voorbij was, die men eigenlijk had willen vermijden en die totaal uit de hand gelopen was. Frankrijk was leeggebloed, niet het minst door een gigantische hongersnood in 1709 na de ineenstorting van het financiële systeem. Het was toen dat aartsbisschop Fénélon in een pamflet uithaalde naar zijn eigen Franse koning. En de Zonnekoning zelf toonde op zijn sterfbed, in 1715, berouw over zijn vele krijgsverrichtingen.
De Republiek had zich eveneens blauw betaald zonder veel compensaties voor haar handel binnen te halen. Engeland daarentegen had zijn handelsbelangen goed verdedigd en uitgebreid, al was het de hoge belastingdruk op eigendom die de Tories in 1711 aan de macht bracht. Voortaan, en voor de volgende twee eeuwen, was Londen het machtscentrum van Europa.
Voor het eerst besefte men de enorme economische impact en schade van een oorlog, zo leert een bijzonder lezenwaardig artikel daarover in de catalogus van de tentoonstelling. Voor het eerst ook ontstond openlijk verzet tegen de massale slachtpartijen op de slagvelden. Het gebruik van musketten was nu algemeen bij infanteristen en cavaleristen, die daarmee toch al gemakkelijk twee schoten per minuut konden afvuren. De tentoonstelling brengt een tabel van de slachtoffers bij de vele veldslagen, en komt aan een totaal van ruim een miljoen doden en gewonden. Niet voor niets kwam er na Utrecht voor het eerst in de Europese geschiedenis bijna een kwarteeuw echte vrede.
Veel van die grote slagvelden lagen in de Zuidelijke Nederlanden - Ekeren, Ramillies, Oudenaarde, Menen, Doornik – of net over de grens: Malplaquet, Denain. De verwoesting moet immens geweest zijn, een treffend sluitstuk voor 160 oorlog die quasi continu de ooit zo trotse Nederlanden had geteisterd. In 1713 leverden die na 500 jaar hun rol als meest moderne en welvarende en vaak ook machtige gebieden van het continent in.
 
De tentoonstelling toont even wat die oorlogen betekenden voor de inwoners van de betrokken gebieden, met twee illustraties uit de Dertigjarige Oorlog van 1618 tot 1648. De eerste is een beschaafd geschilderd tafereel over een Spaanse plundering van een dorp ergens in de Zuidelijke Nederlanden, waarbij je man en moeder met kind achter de soldaten ziet smeken om wat achter te laten (zie fragment van schilderij helemaal bovenaan).
Het tweede is een rauwe eigentijdse ets in zwart-wit, van de onvolprezen Atlas Van Stolk, waarbij getoond wordt welke ravage de honger in de Palts aan de Rijn (het graafschap rond Mannheim en Heidelberg) tijdens de verschrikkelijke oorlogsjaren 1632-1637 aanrichtte: vrouwen hakken hun kinderen in stukken en mannen pas begraven graven lijken op, om zo aan eten te geraken.(zie etsen hierboven)
De Palts was, samen met de Spaanse Nederlanden, het meest geteisterde gebied in al de oorlogen tussen 1553 en 1713. Het zal bij ons niet veel anders geweest zijn.
 
De tentoonstelling ‘In vredesnaam’ loopt nog tot 22 september in het Centraal Museum in Utrecht. De toegang is 11 euro, de catalogus kost 29,5 euro. Wie de tentoonstelling mist kan hem later nog zien in Rastatt aan de Rijn in Duitsland en in het Zwitserse Baden - omdat ook daar akkoorden werden gesloten - en finaal ook in Madrid, waar de Spaanse Successie-oorlog zijn oorsprong vond.
 
 

 

 

zondag 17 juni 2012

Over Nederlands futiele canondiscussie


(standbeeld van koning Willem II (1840-1849) vlakbij het Binnenhof in Den Haag. Een gelijkaardig standbeeld heeft hij op de centrale Place Guillaume II in Luxemburg. In Brussel liet hij een fraai paleis na, aan het Paleizenplein - nu het Paleis der Akademieën - en in Antwerpen op de Meir poogde hij in oktober 1830 in het Paleis dat Napoleon er had achtergelaten (en dat onlangs gerestaureerd werd)alsnog koning van België te worden. Hij vocht in Waterloo, was liefdesrivaal van Leopold van Saksen-Coburg in Londen, en sleet zijn oude dag vooral in Tilburg, waar de lokale sigarenfabriek één van haar produkten naar hem noemde. Hij zou vandaag als icoon van de Benelux kunnen opdraven)


Onderstaande tekst schreef ik zeven jaar geleden voor de uitstekende Nederlandse geschiedeniswebsite www.geschiedenis.nl naar aanleiding van mijn boek toen 1830. De scheiding van Nederland, België en Luxemburg. Je vindt er al de grote lijnen in terug van mijn huidige boek België, een geschiedenis zonder land (inmiddels aan zijn vierde druk toe). Het artikel plaatste behoorlijk wat kritische noten bij de Nederlandse canondiscussie. Nederland bleek plots behoefte te hebben aan een nationale geschiedenis, iets wat de Belgen onverschillig laat, en wat ik in mijn nieuwste boek precies achter ons wil laten. Veel leesplezier.

.

Het blad van Caesar

door Rolf Falter
16/07/2005 -
 
Nederland is in verwarring en God is dood. Dan moet de geschiedenis maar uitkomst brengen! Rolf Falter analyseert de discussie over de canon van de Lage Landen.

Nederland is in verwarring. Een scherpe recessie, de ontmaskering van het politiek bestel door Pim Fortuyn, het brute ontwaken uit de multiculturele illusie bij het lijk van Theo Van Gogh, en de massale revolte tegen het vanzelfsprekende Europa hebben op korte tijd ’s lands ijkpunten weggenomen. Weg is de zelfverzekerde natie die de wereld de les spelde, weg het poldermodel.
Inmiddels is de grote zelfbevraging aan gang. En omdat God dood verklaard werd, moet de geschiedenis soelaas brengen. Nederland graaft naar zijn eigen identiteit, zoekt naar duurzame ijkpunten. Historici wordt gevraagd de psyche van de natie te dissecteren en opnieuw vast te leggen wat essentieel is, in een discussie die als etiket het van oorsprong kerkelijk begrip ‘canon’ kreeg opgekleefd. Heeft een geschiedenis van Nederland – met al haar Oranjes, met Oldenbarneveldt, graaf Floris, Piet Hein of Jan van Speyk – nog zin, of verwasemt ze weg, verdunt ze in een spoeling met Europese, westerse en Globaliseringshistorie.
De canon van de canon-discussie leverde NRC Handelsblad, nu al driekwart jaar geleden. De krant vroeg toen twee professoren om de essentie te definiëren, de Summa zeg maar, gebald op één krantenblad, van wat Nederland in het verleden tot Nederland heeft gemaakt.

De oefening is op de klassieke cirkelredenering uitgedraaid. Vanuit het hedendaags staatkundig verband Nederland wordt bekeken en opgesomd wat essentieel is voor de geschiedenis van Nederland. Een typisch zinnetje is, over de Romeinse tijd: ‘Later zouden de Bataven worden vereerd als de eerste opstandige en vrijheidslievende voorvaderen van de Nederlanders.’ Nu vormen de Romeinse en Karolingische periode een geschiedenis die Nederlanders totaal delen met Fransen, Duitsers of Belgen. En die zeggen haast niets of zelfs helemaal niets over de Bataven. Die zijn immers maar relevant vanuit het hedendaags staatkundig verband Nederland. En eigenlijk wil dat zinnetje dat ook zeggen, maar het aarzelt om dat te zeggen.
Dokkum

Vanuit dat vertrekpunt staan alle misverstanden weer op een rij. Van de Karolingische tijd worden als steden enkel Dokkum en Utrecht vermeld, omdat Aken met zijn schitterende Paltskapel vijf kilometer buiten het hedendaags Nederlands staatsverband ligt. De Unies van Atrecht en Utrecht blijken weer het grote scheidingsmoment, ook al zaten Brussel, Mechelen en Antwerpen in die van Utrecht. Willem III, een figuur zonder wie de Lage Landen vermoedelijk Noord-Frankrijk zouden zijn geworden, wordt niet eens vermeld. En in 1813 ‘krijgt het door Frankrijk veroverde Nederland zijn onafhankelijkheid terug’ van de grootmachten. Zomaar, plots, als een geschenk uit de hemel.
Neerland is uw vaderland!
Bijdragen tot het herkennen van de eigen identiteit kan zo’n oefening natuurlijk niet, omdat je vertrekt van de premisse dat de identiteit er altijd al was. En van iets dat er altijd al was, kan je niet leren hoe het geworden is. Daarvoor moet je met een leeg blad vertrekken, zo leeg al dat was vooraleer Julius Caesar er nu alweer 2060 jaar geleden op begon te schrijven.
In Vlaanderen, waar ik dit schrijf, durft men aan zo’n canondiscussie zelfs niet te beginnen. De identiteitscrisis is er nog groter dan in Nederland. Vijftien jaar geleden leek Vlaanderen geleidelijk op weg naar zelfstandigheid uit de afstervende Belgische schelp, zoals Tsjechië en Slovakije zich uit Tsjechoslovakije losweekten. Maar er is wat misgelopen, en er is een immense etterbuil ontstaan: het Vlaams Blok, vandaag de grootste partij van België. Uit reactie is minstens de helft van de Vlamingen alles gaan verfoeien wat naar Vlaams en zelfstandigheid ruikt, en België weer gaan omarmen, dat nochtans niet meer functioneert. De kreupele ondersteunt nu de blinde, zoals in het schilderij van Breugel. En aan een geschiedenisinterpretatie waagt niemand zich meer.
Een geschiedeniscanon voor het Vlaams onderwijs is vandaag gewoon ondenkbaar, een discussie daarover kan alleen maar surrealistisch zijn. En inmiddels viert het officiële België, met zowel subsidies als een zachte boycot vanuit het officiële Vlaanderen, zijn 175ste verjaardag in een postmoderne wok met opgewarmde clichés, van pralines over Kuifje tot bier en Brel.

Tüddern 

Nederland is het oudste staatsverband in de Lage Landen en bestaat zo’n vierhonderd jaar. Dat is welgeteld 20 % van de twee millenia geschreven geschiedenis. België haalt nog geen 9 %, net als Luxemburg, of het begrip Vlaanderen in zijn hedendaagse territoriale betekenis.

Bekijk de landkaart: geen enkele staatsgrens in de Lage Landen heeft iets logisch. De enige natuur-barrières zijn de 80 kilometer Moezel, Sauer en Oer tussen Duitsland en Luxemburg en de 35 kilometer Maas tussen Nederlands- en Belgisch Limburg. Ruim 90 % van de staatsgrenzen in de Lage Landen is één en al historisch toeval en willekeur. Stap in je wagen in het Duitse Tüddern, net over de grens achter Sittard, en rij in minder dan twee uur de 200 kilometer naar Thionville, vlak over de Luxemburgse grens in Frankrijk: je zal vier staatsgrenzen en vijf taalgebieden (waarbij tweemaal Frans) gepasseerd hebben. Gelukkig heb je het idyllische dorpje Voeren – een tweetalige enclave van Vlaanderen in Wallonië – rakelings gemist, om de zaken niet nog ingewikkelder te maken.
Moderne staten werden doorgaans gekneed uit één taal, of één godsdienst, of één dynastie. Helaas gaat ook dat niet op voor de Lage Landen. De historische – en vandaag vervaagde – grens tussen protestant en katholiek loopt dwars door Nederland. De taalgrens tussen Frans en Nederlands loopt dwars door België. En de Duits-Nederlandse taalgrens, die wel samenvalt met de staatsgrens, is veeleer produkt van die staatsgrens dan oorzaak. Tenslotte is leven onder één kroon ook nooit echt eigen geweest aan dit gebied. De langste stamboom is nog die van de Oranjes, die tot 1584 teruggaat, maar ook twee eeuwen republiek en wat lange onderbrekingen bevat
Nog meer verbazend wordt het bestaan van drie kleine landjes bij een blik op de landkaart van West-Europa. Rond Nederland, België en Luxemburg, met hun willekeurig getrokken grenzen, vind je drie gewezen wereldmachten, die eeuwenlang met elkaar streden en laatst nog twee wereldoorlogen ontketenden. En ondanks dat tomeloos geweld van de meest machtige buren konden die kleintjes overleven.
Friezen
 
Laten we dan toch maar dat wit blad van Caesar nemen. Over de stammen die hij versloeg weten we zo weinig, dat er niets relevants voor vandaag te onthouden valt. Wel valt op dat hij de grens van zijn veroverd gebied vastlegde aan de Rijn, die hij nochtans ook even overstak. Waarom daar? Omdat de stroom toen al gold als een barrière, breder en langer dan de Maas bijvoorbeeld. De Romeinse veldheer is echter nooit tot de meest noordelijke grens van zijn Gallische verovering doorgedrongen. Hebben ze hem gezegd dat het gebied onherbergzaam was, met onvoorspelbaar water en getijden, en dat er nauwelijks mensen woonden? We weten het niet.
 Ook dat valt op: de Romeinen, en nog meer de Karolingers na hen, waren in de hedendaagse Lage Landen vooral actief in de streek tussen Maas, Moezel en Rijn, met Nijmegen, Xanten, Maastricht, Aken, Keulen en Trier, het Eifelgebergte en de Ardennen, en Lotharingen. Van al de rest vernemen we nauwelijks wat. En de conclusie dat al die rest, tussen de Aa in Noord-Frankrijk en de Ems in Noord-Duitsland, onherbergzaam land was, met veel te machtige en dus onvoorspelbare en oncontroleerbare rivieren omgeven door nog veel bredere moerasgronden, ligt voor de hand.
 
Ach ja, er waren Friezen, maar daar weten we even weinig van als van de Menapiërs in het kustland van het hedendaagse Vlaanderen. Van Nederland, Vlaanderen, België is er tot het jaar 1000 niets dat zelfs maar in die richting wijst.
Pas rond de milleniumwisseling ontstond in de Lage Landen iets nieuws, aan de zee nog wel, in het graafschap Vlaanderen, en eerder nog in Atrecht, Douai en Saint-Omer dan in Ieper, Brugge of Gent. Hoe het ontstaan is, daar hebben we geen flauw benul van.
Wel weten we dat er verschillende elementen op elkaar gingen inspelen: de groei van de lakenindustrie; bevolkingsgroei; het ontstaan van een dicht net van steden; de vele waterwegen als transportnet, spoedig aangevuld met talloze kanalen; overschotten in de landbouw om de steden te voeden, en dus het losbreken van de feodale banden; de inschakeling in een handelseconomie, met wolimport uit Engeland en lakenexport naar de Champagne en verder; rijkdom en luxe en dus kunst op topniveau; mankracht en geld om dijken tegen de zee te gaan maken, waardoor nieuwe gronden en nieuwe rijkdom ontstonden; en uiteindelijk: het vermogen om het vele geld om te zetten in militaire weerbaarheid.
Amsterdam
 
Bijna drie eeuwen heeft die ontwikkeling in het historische graafschap Vlaanderen (zijnde in hedendaagse termen: Zeeuws-Vlaanderen, de Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen en het Franse département du Nord) geduurd. Ze culmineerde in de crisis van 1302.
De Franse koning Philippe le Bel slaagde er tegen mei 1300 in Vlaanderen te annexeren en Engeland van het continent te jagen, waardoor het verzet van zijn twee machtigste vazallen gebroken leek. Maar in Brugge en Gent brak in 1301 een opstand uit tegen de belastingen die geheven werden om de kosten van een koninklijk bezoek te betalen. In de Guldensporenslag van 1302 bleken Vlaamse stedelingen in staat het machtige Frans ridderleger te verslaan.

Het kleine Vlaanderen en later de Lage Landen hebben al die eeuwen standgehouden, tegen die nochtans grote en machtige buur. Dat kon maar dankzij de geweldige economische en financiële draagkracht en bevolkingsdichtheid van het gebied. Het patroon dat die rijkdom leverde bleef al die tijd hetzelfde: textiel, handel, waterwegen en havens, indijking van zee en rivieren, rijke landbouw, rijkdom en kunst, dichte bevolking en talloze steden, militaire weerbaarheid.
Het patroon verschoof wel. Vanaf de vijftiende eeuw overduidelijk van Vlaanderen naar Brabant, naar Brussel en Leuven eerst, en dan vooral naar Antwerpen. Aan het einde van de zestiende eeuw, verhuisde het naar Holland, naar Delft, Haarlem en Leiden, maar vooral naar Amsterdam. Oorlog en conservatisme veroorzaakten de verschuiving van de succesformule. Maar de rechtlijnige rode draad is onmiskenbaar. Het financiële wereldcentrum lag eerst in de herberg van de Van der Buerses in Brugge, dan in de Beurs van Antwerpen en dan in die van Amsterdam (alvorens na 1800 naar Londen en na 1918 naar New York te verhuizen).
De schilderkunst boven de Alpen begon met Van Eyck en Memlinc in Brugge, verhuisde naar het Brussel van Breugel, het ’s Hertogenbosch van de gelijknamige Jeroen en het Antwerpen van Rubens, en dan naar het Delft van Vermeer en het Amsterdam van Rembrandt.

Gouden Eeuw
De laatste verschuiving, naar Holland toe, deed zich alweer voor na een opstand tegen de machtigste koning van Europa, die van Spanje. Dat was nadat de Bourgondische dynastie de Habsburgse was geworden, en die, door een onverwachte Spaanse erfenis aan het eind van de vijftiende eeuw, vervreemd geraakte van de Lage Landen. Karel V nam al omstreeks 1520 de beslissing het centrum van zijn dynastie naar Madrid te verhuizen, waar de lang begeerde koningskroon wachtte, en, dank zij de reconquista, de hoogste belastingopbrengsten in de schatkist vloeiden. Bij de erfenis kende Karel zijn eigen erfland van de Lage Landen liever aan zijn zoon toe, dan aan zijn broer, die het Heilig Roomse Rijk beheerde, hoewel dat laatste in militair opzicht logischer was geweest.
Filips II ruineerde zijn nochtans rijke staat door vanaf 1567 een machtig leger van 60.000 man in de Lage Landen te handhaven. In Holland vond hij, naar aloude traditie in de Lage Landen, een tegenstander die handel, bevolkingsdichtheid en rijkdom omzette in militaire weerbaarheid, met maximaal gebruik van de ingedijkte en ingepolderde waterwegen. De immense militaire krachttoer van Spanje, die uiteraard ook verzet opriep van Engeland en Frankrijk, leverde nog wel Vlaanderen en Brabant op, totdat Madrid in 1632 moest toegeven geen grootmacht meer te zijn. De Zuidelijke Nederlanden werden de volgende tachtig jaar militair niemansland. Toen is Arm Vlaanderen ontstaan.

Holland kende zijn Gouden Eeuw, die nochtans snel voorbij ging. De Act of Navigation en het colbertisme maakten een einde aan de vrijhandel waarin kleinere gebieden konden floreren. Gaandeweg verloor Holland zijn economische macht, en zijn intellectuele kracht. Niet van het land van Stevin, Huyghens, Spinoza en Descartes zou de Industriële Revolutie vertrekken, wel van Schotland. De voortrekkersrol van de Lage Landen was voortaan verleden tijd.
 De Gouden Eeuw eindigde wel op een glorierijk orgelpunt. Toen in 1672 Fransen en Engelsen tegelijk Holland aanvielen, hield de vloot van Michiel de Ruyter de Engelsen van de kust, en het water de Fransen uit Amsterdam. De getemde delta leverde de tijd die nodig was om de monstercoalitie tegen Holland door interne tegenstellingen te doen uiteenvallen. De Engelsen leerden dat als Holland niet tot eigen uitvalsbasis op het continent gemaakt kon worden, het beter kon dienen als bondgenoot tegen het opdringerige Frankrijk van Lodewijk XIV.

Barrière
 
Daar is dan de koning-stadhouder Willem III uit voortgekomen, en de barrière-functie vanaf 1697, waardoor Holland militair verantwoordelijk werd voor de Zuidelijke Nederlanden. Die bleek echter zowel in 1701 als in 1747 een papieren verdediging tegen de oprukkende Fransen. In januari 1795 maakte hardnekkig vriesweer zelfs de grote rivieren als dam tegen de Fransen onschadelijk.
 
Desondanks deden de Engelsen Holland in 1813 herleven, met dezelfde barrière-functie, ditmaal in de vorm gegoten van een eengemaakt Koninkrijk der Nederlanden. Dat was het eerste punt op Londens verlanglijstje op het Congres van Wenen, en alle andere grootmachten vonden het vanzelfsprekend dat dit gebied tot Engelands invloedssfeer behoorde. Londen zelf verkoos de delegatie aan een plaatsbekleder boven een rechtstreekse controle van de delta van Rijn, Maas en Schelde.
In 1830, toen het koninkrijk niet bleek te werken, aanvaardde Londen een hertekening van de kaart, maar niet van de functie: ook België moest als neutrale staat een buffer voor Engeland zijn, toen tegen Frankrijk, in augustus 1914 tegen Duitsland. En tussen september 1944 en mei 1945 herstelde Londen de Lage Landen in hun oude vorm, ook al waren die vier jaar van de kaart geveegd geweest.
Sedert 1945 is een ander verhaal bezig: dat van Europa waarin grenzen en staten aan belang inboeten, en waarin Amsterdam, Brussel, Parijs en London per TGV maar een paar uur van elkaar liggen. Vandaar ook dat je in minder dan twee uur van Tüddern naar Thionville kan. Maar om te zeggen waarheen dat nieuwe verhaal zal leiden is het nog vroeg, veel te vroeg.
Chassé 
 
Hoe komt het dan dat er vandaag drie Lage Landen zijn, en niet één staat aan de delta? Op het niveau van deze vraag spelen wel de verhaallijnen mee die we allemaal in onze nationalistisch gekleurde schoolboekjes hebben meegekregen. Een beetje toch.
Nederland is niet ontstaan vanwege het calvinisme. Dat had immers nog meer in Vlaanderen en Brabant wortel geschoten, dan in Holland, als geloof dat beter paste bij de zelfbewuste inwoners van de talrijke handelssteden. Nederland kon maar ontstaan doordat Filips II na de militaire verovering van Antwerpen in1585 het offensief van Farnese afbrak, om hem en zijn leger met andere taken te belasten. Maar Nederland is pas echt ontstaan door een zelfbewuste keuze vanaf ongeveer 1600: de Hollandse handelssteden vonden dat ze genoeg geld gespendeerd hadden aan de oorlog.
Bovendien vond Amsterdam het best zo dat Antwerpen gesloten bleef. Dat stedelijk particularisme – toen generaal Chassé in oktober 1830 Antwerpen bombardeerde, dachten de schepenen van die stad meteen dat dit op bevel van Amsterdam en Rotterdam gebeurde - is overigens ook een genetische reflex geworden, tot in de discussies over de Ijzeren Rijn en de Westerschelde vandaag toe.
Nederland had aan de glorie van de zeventiende eeuw meer dan genoeg om een geloof in zichzelf als natie te creëren. Maar precies daarom verspeelde het ook het verenigde koninkrijk der Nederlanden in 1830. Het leek zo vanzelfsprekend dat Holland – zelf goed voor de helft van alle zetels in de Noordnederlandse helft van de Staten-Generaal - de leiding zou nemen in het geschenk dat de Engelsen de Oranjes in 1815 gaven, ook al waren er maar 2 miljoen noorderlingen tegenover 3,5 miljoen zuiderlingen. Die zuiderlingen waren toch twee eeuwen onderdrukt, mak en achterlijk geweest, waren niet in staat zichzelf te regeren en zouden dus wel volgen, net zoals die andere katholieken van de Generaliteitslanden dat hadden gedaan.
Het verrassende was dat de Belgen wèl wakker werden, vooral dan in gebieden waar de Industriële Revolutie al wèl was doorgedrongen. En toen het zover was, wilden ze maar één ding: van die Hollanders af, die hen twee eeuwen lang als quantité negligeable hadden behandeld. Daar zouden ze in 1830 zelfs aansluiting bij Frankrijk voor gekozen hebben, al is het vooral door Engelands toedoen niet zover gekomen.
Delta
 
In die woelingen ontstond uiteindelijk ook een kleine Luxemburgse staat, in hoofdzaak omdat de grootmachten die formidabele militaire vesting niet aan de Belgen en hun Franse vriendjes wilden toevertrouwen.
De Luxemburgse natie zelf zou overigens pas een kleine tachtig jaar later in zichzelf beginnen geloven. In se is dat Luxemburg trouwens maar een rompje van het wat aparte gebied tussen Maas, Rijn en Moezel, het gewezen hartland van de Karolingers, waar de lokale dialecten – voor zover ze niet uitgestorven zijn - nog altijd sterke gelijkenis vertonen. Het gebied is ook landschappelijk en visueel anders dan de delta.
Als men de grens van 100 meter boven de zeespiegel als limiet zou nemen, en de Ems in Duitsland, dan is de delta het huidige Nederland, het huidige Vlaanderen, het westen van Henegouwen, de Rijn stroomafwaarts van het Ruhrgebied, en het noordelijke twee derde van de région Nord-Pas-de Calais. Het vreemde aan de geschiedenis van de Lage Landen is dat ze zich in het eerste millenium vooral tussen Maas, Rijn en Moezel – buiten de eigenlijke ‘lage’ landen dus – afspeelde, nadien bijna uitsluitend nog in het gebied lager dan honderd meter. Over het andere deel vernemen we dan inzake de desbetreffende periode telkens ontzettend weinig.

Wat heeft dan, op dat ooit witte blad van Caesar, de Lage Landen – en daarbinnen zeker Nederland – gemaakt tot wat ze zijn? Het water natuurlijk, zo banaal als dat ook klinkt. Het gevecht tegen het water, om veilig land te winnen. Het idee alleen al dat mensen absoluut land wilden winnen op de zee, klinkt zo absurd op een continent waar er grond genoeg was.
Dus moet er wel een heel plausibele verklaring voor geweest zijn, dezelfde namelijk als in Mesopotamië en het oude Egypte: getemd water levert de vruchbaarste gronden op, handelsroutes, en als het moet ook nog een afweerlinie tegen vijanden. Zo ook het water in de Lage Landen. Het water van de zee, van de vele rivieren, en later van vele kanalen, waarlangs de handel tot bloei kwam. Het water dat de grond zo vruchtbaar maakte dat misschien daarom de boeren er zo vroeg in staat waren overschotten te genereren. Het water dat ook als kering kon dienen tegen buitenlandse invasies, of die nu Spaans, Engels, Frans of helemaal in het begin zelfs Romeins waren.

De kering is weg sedert 1940, toen ook de lucht militair strijdperk werd. Maar water kneedt nog steeds de identiteit van een land waarin de helft van de bevolking op een peil onder de zeespiegel woont. Het gevecht tegen het water, dat deze eeuw misschien weer heviger gaat worden door de geleidelijke verschuiving naar een iets warmer klimaat, vereist nog elke dag hoge technologische ontwikkeling en de inzet en waakzaamheid van de hele gemeenschap. Het water brengt nog steeds rijkdom en welvaart, naar Rotterdam en Antwerpen, naar Oostende, Gent, Vlissingen, Amsterdam of zelfs de nieuwe containerhaven van Venlo. Zonder die welvaart is ook de strijd tegen het water onbetaalbaar, zoals ze in Bangladesh weten.
Nederland is met andere woorden ondenkbaar zonder dichte bevolking, zonder handel en welvaart, zonder intelligentie en deskundigheid in de strijd tegen het water, zonder grote betrokkenheid van iedereen in die strijd. Het is gekneed door de delta, zoals voorheen Vlaanderen en Brabant, en eigenlijk de hele zone beneden de 100 meter, die op een stukje Henegouwen en de streek van Rijsel na, ook samenvalt met het historisch taalgebied van het Nederlands. Alleen aan Duitse kant loopt de vlakte door, maar is er wel een grens getrokken die een taalverschil heeft gecreëerd.
Groot-Nederland
 
Doen we daarmee niet de oude Grootnederlandse hersenschim herleven? Neen, de identiteit van de staat Nederland wordt vandaag ook gekneed door herinnering en geschiedenis, en dus door dat glorierijk verleden van de 17de eeuw (die Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten telkens na hun revolutie de kleuren van de vlag van de vrije Republiek heeft doen oovernemen), door die periode van calvinistische dominantie, door die hechte band met Groot-Brittannië sedert Willem III (waardoor Nederland bijvoorbeeld in tegenstelling tot zijn buren wel troepen naar Irak zond), en door de erfenis van de wedergeboorte van 1815: een staatsapparaat waarin de administratie heerst en de politiek de franje levert.
Het zijn ijkpunten die je in Vlaanderen niet vindt. Daar duiken anderzijds voortdurend – in grapjes, zowel als bij voetbalinterlands - nog de sporen op van 230 jaar haat, die tussen 1600 en 1830 opgebouwd werd tegen een Nederland dat het verzwakte zuiden louter voor eigen profijt hanteerde.

Ook die historische littekens hebben de identiteit getekend van mensen en volkeren in de Lage Landen. Het zijn echter, anders dan de ijkpunten die het water heeft geschapen, geen levensnoodzakelijke karaktertrekken. Ze zijn verbonden met die grillige artificiële grenzen, eerder dan met die oeroude gegevens van de natuur. Neem handel, bevolking en know how weg, en Nederland verdwijnt nog deze eeuw in zee. Calvinisme, Obrigkeitstaat of Belgen- en Hollandermoppen zijn duidelijk minder wezenlijk,
 Natuurlijk is zo’n identiteitsdiscussie altijd weer wat artificieel. Sommige ijkpunten vervagen vandaag al – het calvinisme en katholicisme bijvoorbeeld – andere weer niet. Tegelijk trekt een nog uiterst vage en verwarde discussie over Europese identiteit aan. Geschiedenis biedt net zomin als God een antwoord op alle vragen. Het enige wat je van haar kan verlangen is dat ze ons leert op de juiste wijze naar vroeger te reizen, om daar de ultieme bestemming van elke reis te vinden: een andere kijk op onszelf.
 
Rolf Falter is historicus, en journalist bij de Vlaamse krant De Tijd Van hem verscheen eerder 1302, Opstand in Vlaanderen, en is dit jaar 1830, De scheiding van Nederland, België en Luxemburg verschenen.

dinsdag 1 mei 2012

De eerste reacties op het boek

De voorbije week kreeg ik de kans om 'België, een geschiedenis zonder land' uit te leggen in De Tijd, De Standaard, op radio 1 en op Eén. De NRC bracht al een recensie. En op You Tube kan je de stukken van de toespraken vinden die Guy Verhofstadt en ikzelf brachten bij de officiële presentatie in de salons van Kamervoorzitter André Flahaut op 24 april

Hier de links naar De Ochtend van 29 april om 8u10 en naar De Zevende Dag van 29 april om 12u45. Bij de laatste gaat het om de items op het einde 'Eén van de best bewaarde geheimen van Vlaanderen' en 'Waarom zijn wij niet chauvinistisch?

Het begon met een interview in De Tijd van zaterdag 21 april:



'Geschiedenis is een potje biljart'


Wat begon als een zoektocht naar de roots van ons communautaire conflict, eindigde als een alternatieve geschiedenis van België. De historicus Rolf Falter schreef een boek over het echte DNA van ons land. 'Plundering, moord en verkrachting. Dat is wat ons verbindt.'

Het kan verkeren. De Maritiemwijk in de Brusselse gemeente Molenbeek haalt dezer dagen vooral het nieuws met verhalen over drugshandel, criminaliteit en torenhoge werkloosheid. Maar dik honderd jaar geleden lag in de Brusselse kanaalzone het kloppende hart van 's werelds eerste grote globaliseringsgolf. De restanten van dat roemrijke verleden liggen vandaag grotendeels verborgen onder het gerenoveerde pakhuis op de site Tour & Taxis. In de centrale hal stopt Rolf Falter bij een plek waar de vloertegels vervangen zijn door glas. 'Kijk, hier zie je de oude treinsporen nog liggen.' De bouw van Tour & Taxis in 1905 was een uitloper van de koloniale ambities van koning Leopold II. De site was een reusachtig distributiecentrum voor goederen uit de Congolese kolonie. Die werden vanuit de haven van Antwerpen per spoor naar Brussel gebracht en vervolgens over heel Europa verspreid.

 'Dit pakhuis staat symbool voor het economisch succes van de jonge Belgische staat in de 19de eeuw', zegt Falter. 'België is in 1830 op een wat sukkelachtige manier ontstaan, maar dat nieuwe land is snel tot een succesverhaal uitgegroeid. België was het eerste land op het Europese continent waar de industriële revolutie op kruissnelheid kwam. Door de economische groei die daaruit volgde, speelde België in de 19de eeuw internationaal ver boven zijn gewicht. Met 7,6 miljoen inwoners was ons land in 1905 uitgegroeid tot de vijfde economie. De hele wereld keek toen naar ons zoals wij vandaag naar Singapore of Hongkong kijken. Met als belangrijkste verschil dat alle rijkdom in het België van 1830 bij een kleine elite bleef plakken.' 'De bouw van het koloniale distributiecentrum was een reusachtig project met mondiale dimensies.

 Ja, het was een megalomane investering, maar België probeerde er wel mee in te spelen op dezelfde uitdaging waar de Antwerpse haven vandaag voor staat. Blijft de boom in Azië duren, dan opent dat enorme groeikansen voor onze economie. Maar dan zal de infrastructuur in het hinterland van de haven moeten worden aangepast om alle extra trafiek op te vangen. Die investering zal de overheid moeten koppelen aan creatieve oplossingen om de mobiliteit en de leefbaarheid zo weinig mogelijk te belasten. Geen gemakkelijke opdracht, zoals het gesteggel over het Oosterweeldossier bewijst.'

Fascinerend gekissebis
Rolf Falter was in het verleden onder meer adviseur van premier Guy Verhofstadt. Op diens kabinet was hij een bevoorrechte getuige van het Belgische model, een constante diplomatieke conferentie tussen Vlamingen en Franstaligen. 'Ik raakte als historicus gefascineerd door het gekissebis tussen beide taalgroepen. Daarom ben ik tien jaar geleden op zoek gegaan naar de roots van ons communautaire conflict. Kort na de moord op Pim Fortuyn ontstond in Nederland ook een hevig debat over identiteit en de 'historische canon'. Die discussie intrigeerde me. In al onze buurlanden zijn de meeste burgers patriotten met een sterk gevoel van nationale identiteit. Waarom hebben de Belgen dat eigenlijk niet?' 'Ons gebrek aan patriottisme is deels te verklaren door de manier waarop de Belgische onafhankelijkheid tot stand kwam. De Nederlanders, Polen en Hongaren hebben een lange en bloedige ontvoogdingsstrijd moeten voeren, terwijl de Belgen hun zelfstandigheid in de schoot geworpen kregen.

 Die handicap had België misschien kunnen compenseren met zijn fenomenale economische groei. In de 19de eeuw waren alle Belgen trots op de economische prestaties van hun land. De elite speelde in op die gevoelens door een geschiedenis bijeen te fantaseren. Overal verrezen standbeelden van Belgische helden, van Ambiorix in Tongeren tot Godfried van Bouillon in Brussel. België was klaar om een echte natie te worden. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog heeft daar een stokje voor gestoken. Vanaf dan begonnen de Waalse socialisten en flaminganten het Belgische sprookje om verschillende redenen snel weer te ondergraven.'

 'Daarnaast zat er van bij het begin een systeemfout in de Belgische natie. Tot de Franse revolutie in 1789 waren staten een onbekend concept in Europa. Binnen het feodale systeem waren mensen verbonden met hun landheer. Die had op zijn grondgebied aparte rechtspraak en belastingregels. De moderne natiestaat ontstond in de 19de eeuw als een tegenreactie op dat achterlijke feodalisme. Er ontstonden landen met een uniform rechtsstelsel, belastingsysteem en administratie. Geheel in lijn met de moderne ideeën van die tijd zetten de Belgen een unitaire staat in de steigers. Alleen zou achteraf blijken dat taal een belangrijke rol speelde bij de vorming van sterke natiestaten. In 1900 waren veel Europese landen nog complexer dan België, met een lappendeken aan talen, culturen en etnische groepen binnen hun grenzen. Een eeuw later bleef daar niets van over.

 De meeste Europese staten hebben vandaag een eentalige bevolking op hun grondgebied.' 'In West-Europa vormen alleen nog België en Zwitserland een uitzondering op die regel. Het Zwitserse model werkt uitstekend, omdat het een confederaal samenwerkingsverband is dat organisch van onderuit is gegroeid. Dat het in België ruim anderhalf jaar heeft geduurd om deze regering te vormen, wijst op een diepe systeemcrisis. Maar dat politici zijn blijven doorgaan tot er een regering was, toont ook de niet te onderschatten veerkracht van de Belgische staat.'

 Alles lijkt erop te wijzen dat België ontrafelt en Vlaanderen op weg is naar zijn onafhankelijkheid. 'Als België moet uiteenvallen, dan had het nu eigenlijk moeten gebeuren. De Belgische existentiële crisis is een uitloper van de economische foto van ons land in de jaren negentig. Toen bereikte de almaar groeiende kloof tussen Vlaanderen en het Franstalige landsdeel haar hoogtepunt. Nu Vlaanderen wat stagneert en er in Wallonië duidelijke tekenen van relance zijn, zal dat spanningsveld weer afnemen. Ik geloof wel dat België alleen kan overleven door de regio's nog meer autonomie te geven. Veel zal ook afhangen van de verdere evolutie van de eurocrisis. Wordt de kloof tussen Duitsland en Frankrijk dieper, dan zal dat ook een negatieve impact hebben op ons land. Sinds 1830 is op dat vlak weinig veranderd. We zijn gehypothekeerd door wat in onze grote buurlanden gebeurt.'

Zowel België als Vlaanderen is volgens Falter niet meer dan een kunstmatige constructie. 'Ik wil zeker niet zeggen dat wij geen identiteit hebben. Ik heb het boek laten nalezen door mijn moeder. Het eerste wat ze zei, was dat er wel heel veel oorlog in voorkwam. Daarmee heeft ze mijn verhaal perfect samengevat. Natuurlijk, de geschiedenis van elk land staat bol van het geweld, maar bij ons was het wel heel extreem. Veel meer dan de twee wereldoorlogen is een andere bloederige periode bepalend geweest voor onze identiteit. Vanaf 1552 werden onze contreien meegesleurd in een oorlog die tot 1714 zou duren. 160 jaar van moord, plundering en verkrachting.' 'In mijn geboortestreek rond Leuven zijn getuigenissen teruggevonden van die tijd. Je gelooft niet wat je leest. Jaar na jaar hielden duizenden soldaten een allesvernietigende strooptocht. Ze plunderden de oogst van de boeren, verkrachtten elke vrouw op hun weg, moordden naar believen en brandden hele dorpen plat. In de winter ontstond hongersnood, waardoor de mensen stierven als ratten. Rond 1552 hoorden het Graafschap Vlaanderen en Brabant bij de welvarendste gebieden van Europa. Anderhalve eeuw later was het een achterlijk, extreem katholiek gebied. Ik denk dat we onvoldoende beseffen hoezeer die periode tot vandaag in ons DNA gegrift staat.'

Toeval bestaat
Falter is niet de eerste die een geschiedenis van België schrijft. Wat kan hij nog toevoegen? 'Het is als toerist altijd weer schokkend te zien hoe landen hun geschiedenis vertellen vanuit een streng nationale context. Terwijl ik er net een West-Europees verhaal van heb proberen te maken. In de middeleeuwen waren de Bourgondiërs en de Habsburgers ook niet aan grenzen gebonden. Ze joegen in heel West-Europa op macht en geld. Dat constante schaakspel tussen Europese grootmachten is in onze streken allesbepalend geweest. Je kan België niet begrijpen zonder de grotere verbanden te kennen.' 'Veel historici hebben ook te veel de neiging om de geschiedenis opnieuw te interpreteren, om hun eigen orde aan te brengen in de chaos. Terwijl de grote historische kantelpunten vaak een gevolg zijn van toeval. Wisten de zonen van keizer Karel V veel dat hun ruzie over de erfenis de opkomst van een superstaat in West-Europa voorgoed zou verhinderen. De geschiedenis heeft geen draaiboek, het is een potje chaotisch biljart. Moderne natiestaten legden hun bestaan uit als een logische uitkomst van de geschiedenis. Dat determinisme klopt niet. Meestal reed een vorst zich ergens finaal vast in een oorlog, en dus besloot hij daar maar een grens te trekken. Die chaos wilde ik in mijn verhaal terugbrengen.' Heeft Falter zelf lessen getrokken uit zijn boek? 'Door onze vindingrijkheid en creativiteit slagen we er steeds beter in het pure overleven te overstijgen. Maar ondanks al onze technologie worden we wellicht altijd geconfronteerd met onze eigen nietigheid. In Japan, een van de meest gesofisticeerde samenlevingen, kwamen vorig jaar alle gebouwen ongeschonden uit een van de zwaarste aardbevingen ooit. Twee minuten later werpt een tsunami een hele regio terug in het stenen tijdperk. Geschiedenis gaat voor mij niet over de grote rijken, religies en ideologieën, maar over ontsnappen aan onze eigen kwetsbaarheid.'


zaterdag 21 april 2012

Geschiedenis in plekjes (2)


Geschiedenis in plekjes (2)

Verhalen moet je bezoeken. Dan kom je merkwaardige dingen tegen waarachter sterke verhalen schuil gaan. Vandaag de tweede reeks foto’s van Myriam Lemmens, in een reeks van tien





1. Het Iers kerkhofje van Lafelt

Op 2 juli 1747 vond in en om het gehucht Lafelt vlakbij Maastricht langs de oude Romeinse heirbaan één van de bloedigste veldslagen ooit in de Lage Landen plaats. Aan het einde van de Oostenrijkse Successie-oorlog vochten het Frans leger van Lodewijk de Vijftiende en het geallieerde leger van Oostenrijkers, Engelsen en Nederlanders – samen zo’n 150.000 man – om de toegang tot het eeuwig strategische Maastricht. De Fransen wonnen, dankzij een charge van Ierse eenheden die hen bijstonden in de hoop op die manier bevrijd te worden van de Engelsen. Ruim 10.000 soldaten zouden die dag gesneuveld zijn. Volslagen nutteloos overigens, want kort nadien begonnen vredesbesprekingen in het nabije Aken waarin de minzame Franse koning zijn pas veroverde Zuidelijke Nederlanden weer afstond om echte vrede na te streven. Ook de Ieren kregen hun zin niet. In de jaren zestig van de vorige eeuw hoorde de toenmalige Limburgse gouverneur Louis Roppe tijdens een bezoek aan Ierland van het vergeten verhaal van de slag van Lafelt. Met de hulp van Ieren uit de stad Cork werd er toen dit klein Iers monument rechtgezet, dat wil blijven herinneren aan de 800 gesneuvelde Ierse soldaten van de slag van toen.




2. Het Koningsplein van Brussel

Het Koningsplein van Brussel (hier gefotografeerd naar de Koningssraat en het Park toe) werd in het laatste derde van de achttiende eeuw aangelegd door de toenmalige landvoogd in Oostenrijkse dienst, Karel van Lotharingen, op de veertig jaar oude ruïnes van het majesteuze paleis van de hertogen van Brabant, dat op een koude februarinacht in 1731 volledig was uitgebrand.  De landvoogd zelf kreeg een standbeeld in het midden van het plein, dat in de 19de eeuw werd vervangen door dat van Godfried van Bouillon, en nu op het binnenplein van het Museum voor Schone Kunsten staat. Drie maal kwam een nieuw staatshoofd de eed afleggen op de trappen van de kerk van de voormalige kerk van de abdij van Sint-Jacob op de Koudenberg op het plein: de Oostenrijkse keizer Franz II in april 1794 (als laatste hertog van Brabant en de eerste vorst van de Nederlanden die dat in Brussel zelf deed sinds Filips II in 1549), de Nederlandse koning Willem I (als eerste vorst van het nagelnieuwe koninkrijk der Nederlanden) in september 1815, en de Duitse prins Leopold van Saksen-Coburg als eerste koning van het nieuwe België op 21 juli 1831. Tussen 23 en 27 september 1830 was het plein het toneel van de hevigste strijd tussen het geregeld leger van Willem I en de opstandelingen van Brussel.


3. De textielmachine van Verviers                    

In 1799 bouwde de Vervierse textielondernemer Ivan Simonis met behulp van zijn Engelse medewerker William Cockerill de eerste moderne textielfabriek van het vasteland waar met machines katoen werd gemaakt. Een jaar later smokkelde de Gentenaar Lieven Bauwens een Mule Jenny, een hoogwaardige spinmachine, in onderdelen naar Gent, en later naar Parijs waar ze op grote schaal werd nagemaakt en vrij snel ook in Verviers verspreid geraakte. Op die manier werden de voormalige Zuidelijke Nederlanden (Verviers lag tot 1795 in het hertogdom Limburg) het eerste land buiten Engeland waar de Industriële Revolutie op gang kwam. Die voorsprong maakte het na 1830 onafhankelijk geworden België tot diep in de 19de eeuw een klein land met een buitengewone economische macht. De machine op de foto is te bezichtigen in het uiterst didactische en boeiende Centre de la Laine et de la Mode in Verviers dat in een andere beroemde oude textielfabriek, die van Dethier, een plaats heeft gevonden.  Ook Gent heeft zijn Mule Jenny bewaard, in het Museum voor IndustrIële archeologie en Textiel.




4. Het laatste paleis van de Duitse keizer, in Spa

Hier in het lieflijke en uitermate vredige kasteel Neubois even buiten Spa logeerde Willem II, de laatste keizer van Duitsland, vele malen tijdens de Eerste Wereldoorlog, telkens hij op bezoek kwam naar de Duitse generale staf – Hindenburg en Ludendorff – die zijn hoofdkwartier gevestigd had in het centrum van het kuuroord ten zuiden van Verviers. De laatste keer dat dat gebeurde was vanaf 29 oktober 1918, toen de Duitse nederlaag al overduidelijk was. Willem stond onder druk om te abdiceren, als zoenoffer om sneller tot een wapenstilstand te komen. Maar hij weigerde, tot op 9 november het bericht uit Berlijn kwam, dat daar de revolutie was uitgebroken en hij gewoon was afgezet. De net geen 60-jarige keizer bereikte in de allervroegste uren van een mistige 10 november de 40 kilometer noordelijker gelegen grenspost van Eijsden aan de Belgisch-Nederlandse grens, net voorbij Visé, het eerste dorp waar zijn troepen in augustus 1914 een deel van de bevolking koudweg hadden uitgemoord. Willem, nu nog slechts een gewone burger, vroeg aan de grenspost om asiel in Nederland. Het duurde bijna een hele dag eer uit Den Haag een positief antwoord toekwam.



                                                                                                                  
5. Aux Pays-Bas, in Maastricht

Misschien is de afgezette keizer, eens hij in Nederland was, ook nog wel langs het Vrijthof gepasseerd, het centrale plein van Maastricht een vijftal kilometer voorbij de grenspost van Eijsden. Dan kan het dat ook hij het insigne boven één van de cafés heeft gezien: Aux Pays-Bas. De burgerij van Maastricht sprak toen bijna evenzeer Frans als die van Gent en Leuven, maar zou de volgende halve eeuw geleidelijk omschakelen naar keurig Nederlands. Ze had daar geen taalwetten voor nodig, wel de invloed van het onderwijs. De inscriptie leert ons dat taal tot in de twintigste eeuw grotendeels klasse-gebonden was, veel meer dan territorium-gebonden. Ook de oude wijsheden over de taalgrenzen in onze contreien, die in de Romeinse tijd zouden zijn ontstaan, zijn inmiddels aan revisie toe en ingeruild voor een veel diffuser beeld. In 1918 sprak men in Maastricht alleszins maar twee talen: het volk het plat Limburgs (zoals ook André Rieu, een zoon van de streek, vandaag nog doet in zijn jaarlijks massaal bijgewoonde concertreeks op het Vrijthof) en de burgerij Frans.

Geschiedenis in plekjes (1)



Verhalen moet je bezoeken. Wie interesse heeft voor het verleden van dit stuk West-Europa moet – zoals bij wijnen - vaak zelf op zoek, voorbij het aanbod van het toerisme. Dan kom je merkwaardige dingen tegen waarachter sterke verhalen schuil gaan. Tien ervan brengen we vandaag en morgen, vertrekkend van foto’s van Myriam Lemmens.




1. De Romeinse Muur van Tongeren

Tongeren pakt graag uit met zijn titel van oudste stad van het land en met zijn Gallo-Romeins museum. Maar het echte kleinood is de oude stenen Romeinse muur, die in de bloeitijd van de tweede eeuw werd gebouwd, zes meter dik was en versterkt met torens. Kilometers langs slingeren stukken en brokken daarvan zich door de velden en straten buiten de ring van Tongeren. Dat laatste doet je beseffen dat de stad nooit groter was dan toen, en doet je respect voor die oude Romeinen weer wat stijgen.




2. De Graslei van Gent

Dit is natuurlijk Gents bekendste plek, al was het maar vanwege de heerlijke drukte aan het water op zomerse dagen. Maar wie weet dat de gebouwen daar tot de oudste stenen huizen van West-Europa behoren, met dat van Borluut (links) uit de 13de eeuw als absolute topper. Ze zijn het symbool van de immense rijkdom van Gent in de middeleeuwen, toen de tweede grootste stad van West-Europa na Parijs, met ruim 50.000 inwoners (wat toen ontzettend veel was). Gent was militair haast niet te veroveren, intern een explosieve en altijd gewelddadige cocktail van arm en rijk, en zo vaak in opstand, dat zelfs opstandelingen in Parijs de Gentenaars (binnen hetzelfde koninkrijk Frankrijk) tot voorbeeld namen. Vader en zoon Van Artevelde dreven Gent in de 14de eeuw naar het statuut van onafhankelijke stadstaat, maar ook zij kregen de kolkende massa niet in hun greep. Later, aan het einde van de Bourgondische tijd, werd Gent het symbool van corporatistische verstarring. De stroppendragers van Karel V waren de trieste eindnoot.



3. Het standbeeld van Philippe Le Hardi in Dijon

Philippe le Hardi (1342-1404) was de vierde zoon van de koning van Frankrijk, die als hertog van Bourgondië er in 1369 in slaagde de meest begeerde bruid van Europa te huwen: Margareta, de dochter van de schatrijke graaf van Vlaanderen. Het bruidsfeest in het Gravensteen etaleerde een nooit gezien luxe, inbegrepen de tonnetjes wijn van de hellingen van Beaune in Bourgondië. Heel zijn leven lang was hertog Philippe één van de machtigste  heren van Parijs. Hij liet daarom voor zichzelf en zijn nazaten een mausoleum bouwen, in het kartuizerklooster van Champmol even buiten Dijon. De Franse revolutionairen van 1789 braken ook dat klooster af, maar het kerkje met de beelden van Philippe le Hardi (Filips de Stoute) en zijn vrouw Margareta bleef bestaan, ook al was het tot voor kort helemaal verwaarloosd. De schitterende beelden zijn van de hand van de Haarlemnaar  Claus Sluter, net als de beroemde Mozesput die vlakbij het kerkje staat. Filips was Sluters voornaamste maecanas en zijn beelden behoren tot de absolute top in de geschiedenis van de beeldhouwkunst.



4. Sint-Gummarus in Lier

De Sint-Gummaruskerk van Lier is op zichzelf geen spectaculair gebouw, ook al getuigt ze van de rijkdom van de Brabantse steden in de 15de en 16de eeuw. Maar het is de plek waar op 20 oktober 1496 het meest invloedrijke huwelijk van het voorbije millennium in Europa plaatsvond: dat van Filips de Schone (Philippe le Beau), de hertog van Bourgondië, met Juana, de dochter van Fernando, koning van Aragon,  en Isabella, koningin van Castilië. Het verliep, zeker naar Bourgondische normen, eerder in mineur. Het verhaal van Juana’s reis naar Arnemuiden, met de bruidegom die niet op de afspraak was en spoedig een scheve schaats zou gaan rijden, en met ruzies tussen Spanjaarden en de flamencos, ook over het geld, is op zichzelf al het vertellen waard. Maar nog meer de rol van het toeval. Het huwelijk paste in een verbond tussen de Habsburgs-Bourgondische alliantie enerzijds en de Aragonees-Castiliaanse anderzijds om samen de Fransen uit het schatrijke Italië (de renaissance!) te houden. Het was niet de bedoeling dat de twee rijken zouden samensmelten. Maar in de vier jaar die volgden op het huwelijk van Lier stierven de vier erfgenamen op de Spaanse territoria die Juana voorafgingen. In augustus 1500 waren zij en haar man plots erfgenamen van een wereldrijk, en dan vooral hun net zes maanden eerder geboren eerste zoon Karel, de latere keizer.



5. Le Grand Dieu de Thérouanne

Thérouanne (soms ook Terwaan genoemd) was van in Caesars tijd één van de grootste steden van het noorden van Gallië. In de bloeitijd van de gothiek bouwde de bisschop daar één van de mooiste en grootste kathedralen van Frankrijk. Maar in 1553 liet een gefrustreerde keizer Karel de stad veroveren, afbranden en afbreken, waarna er zout over gestrooid werd. Het is ons Westeuropees Carthago, aan de Leie, niet zo ver van de bron, en het symbool voor onze Honderdzestigjarige oorlog die toen begon. De ruïnes worden vandaag stilletjesaan weer opgegraven, maar het bekendste overblijfsel werd al in 1553 naar het nabije Saint-Omer gesleept: de Grand Dieu de Thérouanne, het Christusbeeld dat boven het immense portaal van de kathedraal stond. In 1966 haalde de bisschop van Saint-Omer het uit de kelder van zijn kathedraal, om het te exposeren voor de toeristen op de plek in de kerk waar hij nu nog altijd staat.



(morgen onder meer: de keizer van Duitsland als asielzoeker)

zondag 15 april 2012

De Hedwigepolder, op de eeuwenoude frontlijn tussen mens en zee



(Het Verdronken Land van Saeftinghe, het natuurgebied dat getuigt hoe de zee er uitzag voor de mens in de Lage Landen haar gingen indijken, en hoe de zee in duizend jaar ruim honderd dorpen verzwolg. Krijgt het nu een uitbreiding in de Hedwigepolder? Foto: Myriam Lemmens)




De voorbije dagen was er andermaal veel te doen rond de Hedwigepolder (zo genoemd naar een hertogin van Arenberg uit de 19de eeuw), ten noorden van Doel vlak over de Nederlandse grens en grenzend aan het Verdronken Land van Saeftinghe. Dat Verdronken Land is ontstaan na stormvloeden en dijkdoorbrekingen tijdens de oorlog tussen Alva en de opstandelingen in de Nederlanden omstreeks 1570. Zo verdween het dorp Saeftinghe, dat zelf in de 13de eeuw was ontstaan na indijking van het gebied, onder de waterlijn.

De Europese Commissie legt nu aan Vlaanderen en Nederland op dat ze in ruil voor de gezamenlijk overeengekomen verdieping van de Westerschelde het Verdronken Land feitelijk zouden uitbreiden tot de Hedwigepolder, door die onder water te zetten. Op die manier worden de risico’s van overstroming, die groeien bij de uitdieping, wat getemperd. De Schelde en het getij krijgen een nieuwe natuurlijke overstromingszone. Bovendien krijgt de originele flora en fauna - of wat men denkt dat origineel is - weer meer kansen, en staat het Verdonken Land zelf minder onder druk. De argumentatie van de Commissie vind je in deze brief uit 2011 van Europees Commissaris Potocnik, te lezen via voetnoot 7 van het het wikipedia-artikel over de Hedwigepolder.

Dat het Verdronken Land bewaard moet blijven is overduidelijk. Uit de passage uit mijn nieuwe boek ‘België, een geschiedenis zonder land’ die ik hieronder weergeef, blijkt voldoende  waarom. Maar ik begrijp ook perfect de Zeeuwse boeren die dit vruchtbare akkerland niet zomaar weer willen geven aan de zee, omdat die meer vrij spel krijgt in het estuarium zelf.
Dit is immers de frontlijn van mens tegen zee. Eén van de meest intense ter wereld. En hoewel de mens de strijd na duizend jaar lijkt te winnen, is het nooit zeker dat hij gestreden zal zijn.


HET TEMMEN VAN DE ZEE (fragment uit hoofdstuk 2)

Op zo’n vijftien kilometer ten noorden van Antwerpen, vlak over de grens met Nederland, varen grote zeeschepen voorbij een landschap zoals elke vlakke kust er in haar oervorm moet hebben uitgezien. Het Verdronken Land van Saeftinge is een beschermd natuurgebied van enkele vierkante kilometers, buiten de dijken, met hoog gras en greppels en grachten die er door trekken en er het water afvoeren. Enkel herders met schapen en de natuurgidsen voor de toeristen kennen er hun weg. Het is land aan de zee, zoals het er uitzag toen er nog geen dijken waren, met slikken en schorren, kreken en geulen, en taai gras dat enkel schapen willen eten.

Onder het Verdronken Land – en uiterst sporadisch aan de oppervlakte – ligt nog de kerk van Saeftinge. Daarrond stonden de huizen van het omliggende dorp, dat door indijking in de 13de eeuw was ontstaan, maar in 1570 overspoeld geraakte bij een van de vele fatale noordweststormen die tot in 1953 om de zoveel decennia grote overstromingen veroorzaakten in de hele delta van Schelde, Maas en Rijn. Meer dan honderd dorpen en enkele stadjes zijn in de loop van de voorbije duizend jaar zo ondergegaan, in Zeeland, Zeeuws-Vlaanderen en voor de Belgische kust. In 1516 en 1530 verdween telkens een tiental dorpen bij de overstroming van een heel eiland in het mondingsgebied, respectievelijk aan het uiteinde van de Westerschelde en in het Verdronken Land van Zuid-Beveland in de Oosterschelde. Het gevecht met het water is de mensen van dit gebied in de genen gegrift geraakt. Bij tientallen zijn de historische getuigenissen, zoals deze uit de Chronicon Tielense, gevonden in het Gelderse Tielen, waar de auteur dertig jaar later nog onder de indruk was van de Sint-Elizabethsvloed van november 1421, die stroomafwaarts van Tielen de Biesbosch deed onstaan:

Daags na Sint Elisabeth 1421 woedde er 's nachts zo'n hevige storm, dat de wind met orkaankracht in Tiel en elders verschillende huizen omver blies en in Holland door dijkdoorbraken veel schade aanrichtte. Tweeduizend mensen zijn, naar men zegt, verdronken. Bij mensenheugenis was het niet voorgekomen, dat een overstroming zó erg en het peil van het zeewater zó hoog was. Bijna heel Holland is, evenals Vlaanderen en Zeeland ondergelopen. Hierdoor kwam ook de grote Zuidhollandse Waard onder water te staan en ging verloren. Er zijn kerken verplaatst, omdat het overstroomde gebied er nog steeds zo bij ligt en tot nu toe helemaal niet kon worden herdijkt

In Saeftinge dringt pas goed door wat één van de grootste omwentelingen geweest is omstreeks de tiende eeuw in dit deel van Europa. De mens accepteerde niet meer dat hij lijdzaam de verschrikkelijke grillen van de zee moest ondergaan. Hij trachtte meer greep te krijgen op die krachten, begon ze letterlijk ‘in te dijken’, in een nieuwe ontwikkeling van het menselijk vernuft. Dat proces heeft zich duizend jaar lang verder ontwikkeld en heeft pas recent een redelijk niveau van veiligheid tegenover de zee gerealiseerd. Het heeft haast zeker ook een cruciale bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de westerse beschaving.


Het is één van de markantste vaststellingen uit de geschiedenis van de Lage Landen, maar waarbij amper iemand is blijven stilstaan. Tot het jaar 1000 ongeveer spelen de meeste historisch bekende gebeurtenissen in deze contreien zich af in het gebied tussen Maas, Rijn en Moezel, en een beetje in het gebied ten zuiden van de oude Romeinse heirbaan van Bavai naar Tongeren. Daar lagen ook de schaarse steden. Einhardt, de biograaf van Karel de Grote en zelf abt van de Sint-Pietersabdij van Gent, vermeldde even die nederzetting aan de vertakte samenvloeiing van Schelde en Leie, die toen vermoedelijk niet meer dan de abdij zelf was, met een beetje woningen er rond. In dat eerste millenium na Christus waren de kustgebieden uiterst onherbergzame streken. Caesar zegt er nauwelijks wat over. De schaarse bronnen uit al die eeuwen nadien evenmin. Ook de archeologische bronnen brengen enkel wat verspreide sporen van bewoning en militaire versterkingen op. Ten noorden van Taxandria (de Kempen) en ten westen van de Schelde scheen enkel het grote niets te liggen.

Na het jaar 1000 van onze tijdrekening gaan de kustgebieden echter het verhaal domineren, bijna even exclusief als de andere regio’s in het eerste millennium. De steden en territoria die het tijdperk van de Romeinen en de Karolingers domineerden komen nauwelijks nog in het stuk voor. Tot op de dag van vandaag bepaalt het verleden van de zeeprovincies – Vlaanderen, Brabant en Holland vooral – het geschiedenisbeeld in zowel Nederland als België. Nochtans hebben ze voor het jaar 1000 – en Holland zelfs voor het jaar 1200 – geen enkele rol van betekenis gespeeld. Vanwaar die verschuiving? Waarom betekenden de zeeprovincies niets in het eerste millennium? Waarom braken ze door in de late middeleeuwen? Waarom deemsterde het land tussen Maas en Rijn toen weg?

De verklaring ligt voor een stuk in het landschap en wat de mens ermee gedaan heeft. Bij de laatste Ijstijd, die eindigde zowat 10.000 jaar voor Christus, reikte de ijskap tot wat vandaag de Oude Rijn in Nederland is. Na het smelten van het ijs is de Noordzee ontstaan en is het zeepeil beginnen stijgen, in golven van twee tot drie millennia, wat sneller en dan weer trager, afhankelijk van de kleinere klimaatveranderingen die zich na de Ijstijd voordeden. Landschappelijk leverde de opwarming moerassen en venen op, en lagunes, in wat voorheen onbewoonbare permafrost was. Telkens als de zee op het land doorbrak in veel warmere periodes liet zij grote waterplassen en zompige landen achter. In dat half verzopen land zochten grote rivieren – de Maas, de Rijn en de Schelde - hun monding, in beddingen die steeds weer wisselden, in ligging en in omvang.

Anders dan in rivierdelta’s elders in de wereld – de Nijl, Tigris en Eufraat, de Ganges en de Brahmaputra, of de Yangtze - lijkt er op het vruchtbare land van de rivierenmonding van Rijn, Schelde en Maas niet meteen veel volk te zijn afgekomen. Mensen zijn vanwege de lange Ijstijd natuurlijk pas heel laat in het gebied doorgedrongen, misschien pas na 8000 of 7000 voor Christus. Landbouw is er veel later tot ontwikkeling gekomen dan aan de Middellandse Zee. Mogelijk woog vanwege de noordelijke ligging, en ondanks de opkomst van de Golfstroom, de potentiële opbrengst die landbouw kon verschaffen ook niet op tegen de risico’s van een zeer stormachtige zee, en grillige brede stromen in een voor de rest vlak landschap.

Van mensen in het laagland weet men een beetje van de Friezen. Van hen zijn er in het noorden van het huidige Nederland en het noordwesten van Duitsland zeldzame sporen terug te vinden die tot 600 voor Christus teruggaan. Duidelijk is echter ook dat hun aantal beperkt was, en dat ook zij vanaf 400 onder druk stonden van het stijgende water. Dat dwong hen hun dorpen op steeds meer kunstmatige verhogingen te bouwen – terpen - en zich meer op zeevaart te gaan toeleggen. Geografisch aflijnen waar de Friezen woonden, en tot waar dus na 50 voor Christus de Romeinse invloed reikte, blijft een haast onmogelijke zaak.

De talrijke vondsten van Romeinse legerkampen leren dat de limes, de militair versterkte grens, aan de ‘oude’ Rijn lag, vandaag een kleine rivier die een stuk noordelijker dan de huidige Rijnmonding via Utrecht en Leiden naar Katwijk-aan-Zee loopt. Niemand weet echter met zekerheid hoe de verhouding tussen land en water er in het gebied van de Rijnmonding toen uitzag. Wel weten we dat langs heel de vlakke kustlijn tussen de krijtrotsen van Calais en de monding van de Weser de zee vrij spel had. Zij drong bij vloed langs geulen diep in het land door en verlegde bij uitzonderlijke stormen radicaal de kustlijn. De kroniek van de abdij van Sint-Bertijns (Annales Sancti Bertini) in Saint-Omer vermeldt er bijvoorbeeld één van, in het jaar 839:

Op de zevende dag van januari deed zich zo’n overstroming voor langs de normale kustlijn, dat bijna geheel het gebied der Friezen werd overspoeld. De hoge ophopingen van zand daar, die men er duinen noemt, werden bijna platgestreken. Alles wat er op woonde, zowel mensen als vele dieren en huizen, werd vernietigd.

De kustlijn lag in de tijd helemaal anders dan vandaag, en varieerde ook voortdurend. Het meest gebruikte beeld voor de Romeinse tijd is dat van een vrij stevige noordkust van het huidige Nederland, zonder Waddeneilanden en met een veel kleinere Zuiderzee (Lacus Flevo). Daarentegen was er een veel grotere inham van de kust in het zuiden van het huidige Nederland waar het zeewater langs een lijn ten noorden van het latere Brugge naar Antwerpen liep en zo omhoog. Het huidige Zeeland was niet meer dan een stel zandbanken, die bij vloed regelmatig geheel overspoeld werden. Tussen Brugge en de rotsen van Calais liep de kustlijn eerst van Brugge naar Oudenburg, met een wadden-achtige reeks eilanden enkele kilometers buiten het strand. Ten zuiden van Oudenburg lagen een reeks diep in het land reikende geulen die tot het latere Saint-Omer, Kassel en Ieper doordrongen. Waar nu Veurne of Oostende liggen, was toen nog zee.


 
Na de Romeinse tijd steeg het zeewater opnieuw, tussen de 3de en de 8ste eeuw. Of dat geleidelijk gebeurde, of via brutale grote overstromingen om het handvol eeuwen (zogenaamde ‘transgressies’) waarbij telkens vele kilometers land voor lange tijd in zee verdwenen, is een discussiepunt. In het noorden, in het latere Holland, bleef de kustlijn van duinenruggen, zoals die in de Romeinse tijd bestond, grotendeels gevrijwaard, totdat de zee tussen de tiende en twaalfde eeuw de afwatering van het Flevo-meer openbrak. Hierdoor ontstond de brede Zuiderzee die Holland van Friesland zou scheiden en de haven van Amsterdam zou doen ontstaan.

De vaargeul van de Schelde liep boven het latere Antwerpen noordwaarts tot aan de Maas, maar waar beide samen stroomafwaarts bij vloed in de zee opgingen is helemaal niet zeker. In dezelfde periode verzandde vermoedelijk de Rijnmonding van de Romeinse tijd – de ‘oude Rijn’via Utrecht  - en verlegde de afwatering van die grote stroom zich zuidelijk naar de Maasvallei, waardoor de Waal ontstond. Aan de Vlaamse kustlijn deden zich minder verschuivingen voor.  Een inbraak van de zee creëerde in 1134 nabij Brugge wel het Zwin.

Aan het einde van de Karolingische tijd was de pagus Flandria, het bestuursgebied dat onder Karel de Grote werd gecreëerd en aan een lokale ambtenaar, de graaf, werd toevertrouwd, nog altijd even onherbergzaam als altijd: nauwelijks beschermd tegen de zee, af en toe blootgesteld aan de grillen van de monding van de grote rivieren, zanderig, zompig, winderig, regenachtig. En natuurlijk met heel weinig mensen die er waagden te wonen. Dat blijkt ook uit het verhaal van Guillaume, de monnik van de Normandische abdij van Jumièges, in zijn Gesta Normannorum Ducorum (De daden van de Normandische hertogen) van de vroege 11de eeuw. Hij vertelt hoe de Noormannenhoofdman Rollo in het jaar 911 het gebied van de beneden-Seine plunderde. Om Parijs buiten schot te houden deed de machteloze West-Frankische koning Karel II (later bijgenaamd Charles le simple) hem daarop een aanbod:

De koning schonk hem zijn dochter en het eerder vermelde grondgebied tussen de rivier de Epte en de rand van Bretagne. Hij voegde er ook nog Bretagne aan toe, om hem van bestaansmiddelen te verzekeren. Rollo zwoer in een eed trouw aan de koning. En de prinsen van die provincie, Beranger en Alain, zwoeren op hun beurt de eed tegenover Rollo.

Want dat maritiem gebied, dat we vandaag Normandië noemen, dat al zo lang de prooi was van rooftochten van de heidenen, was in die tijd overdekt  met grote bossen en braak, zonder dat het snoeimes en de ploeg het cultiveerden. De koning had eerst de provincie Vlaanderen willen geven aan Rollo om hem van bestaansmiddelen te verzekeren. Maar Rollo wilde het niet aanvaarden, omdat de moerassen er zoveel hinderpalen vormden.

Rollo, die zo een verre voorvader van de huidige Engelse koningin werd, weigerde met andere woorden Vlaanderen omdat het nog meer onherbergzaam was dan Normandië (wat waarschijnlijk ook verklaart waarom de Franse koning er zo gul mee wilde zijn). Bewoond was het land ten westen van de Schelde amper. Er zijn daar geen sporen teruggevonden van een Romeinse villa, enkel van wat forten op de kustlijn tegen de piraterij. Uit de Frankische tijd heeft men weet van één groter domein. De indruk overheerst dat de streek tot in de tiende eeuw minder dicht bevolkt was dan de Ardennen.


 
Tot duizend jaar geleden verzette de mens zich niet tegen die grillen van de zee. Daar was geen behoefte aan, ook geen kennis of technologie voor.  Omstreeks 800, na zowat een half millennium, kwam het oprukken van de zee echter tot stilstand, ook al bleven vreselijke stormvloeden en springtijen nog regelmatig de kusten, de delta en het laagland teisteren. Toen het zeepeil niet meer steeg, slibden steeds meer kreken en geulen dicht, door het zand dat schaarser wordende hoge vloeden aandroegen. Na tientallen jaren stonden die plassen per jaar lang genoeg droog om een primitieve zoute vegetatie een kans te geven. Dat bleek ideale grond om schapen te weiden. Zo werden herders de eerste vaste bewoners.

Schapen waren al in de Romeinse tijd op kleine schaal gekweekt, maar hun aantal nam toe, toen ook de bevolking begon te groeien, rond de millenniumwisseling. Herders gebruikten al verhoogde routes in de schorren die op de zee gewonnen waren, en schijnen daar, ten laatste vanaf de tiende eeuw, ook geleidelijk kleine, primitieve dijkjes in gebouwd te hebben, om de landen van hun schapen beter te beschermen. Mogelijk werden ze, doordat er steeds meer herders en schapen kwamen, gedwongen meer risicovolle gebieden op te zoeken, en werden ze creatief om zich beter te beschermen.

Vanaf de 12de eeuw deed de bevolkingsgroei heel snel de behoefte aan bijkomende grond ontstaan. In eerste instantie gingen steeds meer boeren grote delen van het dichtbeboste graafschap Vlaanderen vrij hakken, zoals hun collega’s vandaag in het regenwoud op de Evenaar dat nog steeds doen. De heer kon daar niet tegen zijn, want het bracht ook hem meer op. Vrij snel gingen graven en heren trouwens zelf het initiatief nemen om op grote schaal nieuwe landerijen te creëren. Daarvoor moesten ze mankracht mobiliseren en dus beloningen in het vooruitzicht stellen. Dat kostte in eerste instantie middelen en toegevingen, maar bracht op termijn veel meer op. Grond ontginnen werd een belegging.

In het kust- en poldergebied en aan de rivieroevers ging men daarbij ook een beroep doen op de primitieve techniek die de herders hadden ontwikkeld om hun schapen te beschermen tegen de grillen van de zee: het bouwen van dijken. Abdijen zoals die van Sint-Bertijns in Saint-Omer, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, of Sint-Amand in Saint-Amands-les-Eaux maakten van dat indijken spoedig een technologie, die ze op veel grotere schaal gingen toepassen. Toen dan de landwinning eind van de 11de eeuw een speculatieve business werd, sprongen ook de graven van Vlaanderen op de kar. Zij hebben onder meer het hele Zwingebied ingedijkt en ingericht.

Een aparte vermelding verdienen de abdijen van de nieuwe orde der cisterciënzers, die zich vanaf de 12de eeuw in hun drang naar afzondering, op de cultivering van zeer onherbergzame gebieden gingen toeleggen. In het Vlaamse kustgebied waren dat vooral Ter Doest en Ter Duinen, die de kustlijn westwaarts zouden verleggen. De landwinning werd zo een spectaculair en breed gedragen proces, dat na 1250 wel over zijn hoogtepunt geraakte, en na de bevolkingscrisis door de grote pestepidemie van 1348  bijna helemaal stilviel. Tegen dan was de grens van het graafschap Vlaanderen met de zee gestabiliseerd op de lijn die ook vandaag nog de kust vormt. Er was in die drie eeuwen een formidabel stuk land bijgekomen. De kustlijn lag 5 tot 15 kilometer – en ter hoogte van Veurne zelfs 40 kilometer – meer westwaarts dan drie eeuwen vroeger. Vooral was het hele gebied heel wat veiliger en beter bewoonbaar geworden.

Die veroveringstocht tegen de Noordzee was een krachttoer voor een toch nog primitieve maatschappij, en een technologische hoogstand. Dante prees omstreeks 1300 in zijn Divina Commedia vanuit Firenze de Fiamminghi, fra Guizzante e Bruggia (de Vlamingen, tussen Wissant en Brugge), omdat ze zo’n stevige dijkenbouwers waren .De technieken van dijken bouwen, sluizen, afwatering en waterbeheer zouden zich vanuit de kustlijn van het graafschap Vlaanderen verspreiden naar heel de delta van de monding van Rijn, Maas en Schelde. Dat gebeurde eerst, vanaf de 12de en 13de eeuw naar het hertogdom Brabant, waar Mechelen, Lier, Antwerpen, Breda, den Bosch of Geertruidenberg pas steden konden worden nadat het omliggende gebied enigszins werd ingedijkt en goede landbouwgrond opleverde. Later, vanaf pakweg de 15de eeuw, herhaalde zich het fenomeen in Zeeland vooral, maar ook in Holland, met de spectaculaire drooglegging van het Haarlemmermeer en het ontstaan van een stabiele zeeoever.

Die technologie wordt vandaag nog steeds zorgvuldig gecultiveerd en verder ontwikkeld in de polders en wateringen in de Belgische deelstaat Vlaanderen en in de waterschappen in Nederland, besturen die men in beide landen nog altijd belangrijk genoeg vindt om er aparte verkiezingen voor te houden. Het opvallendste symbool van de strijd tegen het water vandaag is vermoedelijk het ministerie van Rijkswaterstaat in Den Haag, het meest vertakte en omvangrijke bestuursapparaat van Nederland. Slechts weinigen beseffen hoezeer het overleven van een land dat voor een derde onder de zeespiegel ligt, gedirigeerd en beheerd wordt vanuit de mastodont aan de Koningskade even buiten het centrum van Den Haag.